Peter Penders alias de lange snieder woonde op den dries (Catsop) Bokkenrijder en opgehangen in 1773

Peter Penders, beter bekend als “de lange snieder”, woonde op “den Dries” in Catsop. Hij was een vermeende Bokkenrijder en werd uiteindelijk opgehangen. Voordat ik dieper inga op het onderzoek naar zijn gezin, woonplaats en de reden van zijn veroordeling, wil ik vertellen dat veel van zijn nakomelingen in Catsop hebben gewoond en nog steeds wonen. Ik ben er zelf ook één van.

Snieder is het woord voor kleermaker.

Iedereen heeft kleren nodig, dus hadden de meeste kleermakers werk genoeg. Zelfs in dorpen waren soms meerdere kleermakers. In steden waren kleermakers verenigd in een gilde of ambacht. Dus het kan zijn dat Peter Penders een leermeester heeft gehad in Elsloo.

De aanleiding voor mijn onderzoek is een artikel van Stefan Vrancken, want zowel Peter Penders als Maria Lucia Hendrix behoren tot zijn voorouders. Voordat ik mijn onderzoek start, wil ik zijn verhaal delen. Ik ben het oprecht met hem eens wat betreft de Bokkenrijders, maar het is aan ieder om daar zelf een mening over te vormen. Criminelen zullen er altijd zijn, maar in het geval van Peter Penders is het bewijs flinterdun.

Voor wie meer wil weten over de Bokkenrijders in Catsop of Elsloo (en omstreken), raad ik het boek “Ze hingen in drie Reysen” aan, geschreven door Mart Pfeifer en Eddy Erkens. Dit boek is een belangrijke bron waar ik veel informatie uit heb gehaald. Het beschrijft elk detail van die tijd, ze komen met feiten en geregistreerde bekentenissen tot je er niet aan ontkomt dat er wel zeker een bende is geweest wat ze later bokkenrijders zijn gaan noemen . Wat opvalt is dat het rechtssysteem vaak faalde; schepen rechters hadden maar één doel: veroordelen. Ze deden geen grondig onderzoek, maar martelden (Tortuur) verdachten om bekentenissen af te dwingen en om meer namen te krijgen. Maar men moet dit ook in die tijd zien, men mocht mensen onder tortuur zetten, men kan zich ook niet voorstellen hoe men met mensen omging.  Nadat deze bekentenissen waren verkregen, kwamen ze er vaak niet op terug, ook niet als bleek dat iemand onschuldig was van een beschuldiging. Schepen Rechters kregen een vergoeding per veroordeelde, en in die tijd hadden de meeste veroordeelden niets te bieden, omdat ze arm waren, vooral de wevers.

Wat betreft Peter Penders en zijn zwager Michael Menten stonden in het boek bekend niet als de meest aangename persoon in de gemeenschap. Maar ik kan me niet alleen op Peter Penders richten, want ook zwager Michael Menten en Peter Bovens (buren), de dorpsmeester, werden opgehangen. Deze drie mannen lieten hun gezinnen berooid achter, en hun weduwen en kinderen werden met de nek aangekeken vanwege de daden van hun echtgenoten, of ze nu schuldig waren of niet. De kinderen trouwden vaak met lotgenoten, wat hun economische toestand nog slechter werd.  

De bekentenissen van de Bokkenrijders werden meestal afgedwongen onder marteling. Er waren drie schepen rechters die we later zullen benoemen. Deze tijd was er een van grote armoede en virussen onder vee, terwijl de geestelijkheid steeds grotere kerken liet bouwen en de kasteelheren hun belastingen bleven innen. Ontstond er onder bevolking onvrede en opstand en criminaliteit.

Om de situatie te illustreren: een dagloner, bijvoorbeeld een wever, verdiende slechts 6 tot 10 stuivers per dag. Ter vergelijking: een paard gemiddeld ongeveer 47 gulden. Het is daarom aannemelijk dat er in het dorp Catsop weinig mensen waren die zich een paard konden permitteren. Het beeld van Bokkenrijders te paard in Catsop? Het is niet groot, maar ik heb mijn twijfels.

Er zijn berovingen bekend en een moord op een pastoor in Grevenbicht was een van de keerpunten . Een ooggetuige vertelde in detail wat er gebeurde, en deze gebeurtenis zorgde voor angst onder de machthebbers. Ze begonnen naar zondebokken te zoeken en voerden methoden in die hun weerga niet kenden. Hierdoor werden steeds meer mensen beschuldigd, en velen vluchtten om te ontsnappen aan het lot van ophanging. Catsop verloor veel familiehoofden, wat de armoede in het dorp alleen maar verergerde.

Bestond er daadwerkelijk een georganiseerde bende? Waarschijnlijk wel, maar veel mensen werden ook door roddels en vermoedens in een kwaad daglicht gesteld. Na het verhaal van Stefan zullen we zien waar Peter Penders heeft gewoond en zijn proces volgen.

Wat opvalt, is dat in Stein en Urmond ook Bokkenrijders actief waren, maar daar zijn geen ophangingen bekend. Dit had waarschijnlijk te maken met een ander rechtssysteem en het gebruik van het tortuurrecht (marteling) dit mocht niet in Elsloo maar wel in Maastricht. In mijn onderzoek naar woonplaatsen heb ik notariële akten, gichtregisters, schepenbanken en andere bronnen geraadpleegd om dit te onderzoeken. Gichten zijn akten waarin rechten op grond worden vastgelegd, bijvoorbeeld na verkopen of leningen. De schepenbank registreerde deze documenten en sprak recht in civiele en strafrechtelijke zaken.

Vaak kun je door het leven van de kinderen achterhalen waar de ouders woonden. Na het overlijden van een vader was het voor een bokkenrijders gezin in die tijd bijna onmogelijk om te verhuizen, een nieuw huis te bouwen of zelfs te verbouwen. De kinderen groeiden op in armoede en moesten vaak een beroep doen op de armenkas, die gratis brood, roggen of geld verstrekte. Deze steun was echter minimaal. De vernederingen van nabestaanden kwamen voort uit de zwakke maatschappelijke positie. Velen zijn door dorpsroddels in diskrediet gebracht.  

Een interessante bron om te raadplegen is de armenkas, beheerd door personen zoals Otto Lenaerts (later), waarvan nog archieven bestaan. Deze kas werd gevuld door leningen die tegen rente werden verstrekt, en het geld werd vervolgens gebruikt om de armen te helpen. Echter, bedelen en zwerven waren verboden en strafbaar, dus er werd zeer zorgvuldig bijgehouden wie in aanmerking kwam voor deze hulp.

Vaak loop je tijdens historisch onderzoek tegen mysteries aan, en het is onmogelijk om alles volledig te achterhalen. Toch biedt het verleden ons een blik op de zware omstandigheden waaronder mensen zoals Peter Penders leefden en veroordeeld werden.

Dit alles maakt duidelijk dat de geschiedenis van de Bokkenrijders een complexe en tragische aangelegenheid is.

Door Stefan Vrancken

Geen enkel onderwerp in de ‘Limburgse’ geschiedenis spreekt zó tot de verbeelding als de ‘woeste avonturen’ van de beruchte bokkenrijders. Ze verschenen in de avonturen van Suske en Wiske, de schrijver Ton van Reen schreef er meerdere jeugdboeken over, en ook in de Efteling (‘Villa Volta’) ontbreken ze niet. Vorig jaar draaide zelfs een film over de bokkenrijders, ‘Zondebokken’ genaamd, in diverse Belgische en Nederlandse bioscopen.

Bokkenrijders waren volgens het volksgeloof personen of geesten, die gedurende de nacht op bokken door de lucht reden. In de achttiende eeuw was dit de naam die gegeven werd aan een vermeende immens grote bende dieven, afpersers en plegers van gewelddadige berovingen in onder meer de Landen van Overmaas.

Het huidige Zuid-Limburg beslaat ongeveer het grondgebied van deze Landen van Overmaas, bestaande uit onder meer het Land van Valkenburg, het Land van ’s-Hertogenrade en het Land van Dalhem. Na de verovering door Frankrijk in 1794 hielden de Landen van Overmaas op te bestaan en gingen vervolgens in 1795 op in het door Frankrijk gecreëerde ‘Département de la Meuse-Inférieure’ (Departement Nedermaas). De bokkenrijdersbendes waren met meerdere onderbrekingen van diverse jaren vooral actief in een periode die ligt tussen 1740 en 1778.

De voorkant van het Suske en Wiske album ‘De Bokkerijders’.

Grote justitiële dwaling
De processen tegen de bokkenrijders, die een verbond met de duivel zouden hebben gesloten, worden tegenwoordig voor een groot deel gezien als een grote justitiële dwaling, die in het huidige Nederland haar weerga waarschijnlijk niet kent. De vervolging van deze mensen was meedogenloos, zélfs naar de normen van die tijd. In die periode kon een verdachte over het algemeen slechts veroordeeld worden na een bekentenis. Het was dus uiterst belangrijk dat een verdachte bekende, onder welke omstandigheden dan ook.

De meeste bekentenissen werden verkregen door zware en langdurige marteling of enkel de dreiging daarmee. Ook werd men tijdens een martelsessie gedwongen om namen te noemen van medeplichtigen, zodat de groep verdachten alsmaar groter en groter werd. Bijna de helft van de aangeklaagden bekende schuld en werd veroordeeld. Meer dan negentig procent van die veroordeelden kreeg uiteindelijk de doodstraf. In de Landen van Overmaas zouden vele honderden mensen ter dood worden gebracht, onder meer door ophanging. Sommigen overleden vroegtijdig aan de gevolgen van (overmatige) marteling.

Pas na 1775, toen de lokale rechtbanken (schepenbanken genaamd) meer en meer werden gecontroleerd door rechtsgeleerden, nam het aantal doodvonnissen af. Deze rechtsgeleerden hadden, meer dan terecht uiteraard, hun sterke twijfels bij het feit of bekentenissen tijdens lange en gruwelijke foltersessies wel klopten. Voor veel mannen, vrouwen en kinderen kwam dit nieuwe inzicht helaas te laat.

Het ooit zo glorieuze kasteel van Geulle, grotendeels gesloopt in 1847. De tekening werd gemaakt door de Maastrichtse tekenaar Philippe van Gulpen. Voor de toegangsbrug naar het kasteel stond in het verre verleden de galg van Geulle. Bron: Public Domain, Wikimedia Commons

“Den ouden stadthuijse”
Door de grote hoeveelheid arrestaties raakten de gevangenissen in onder meer kastelen op het platteland overvol. Noodgedwongen moesten gearresteerden worden overgebracht naar onder meer “den ouden stadthuijse” in Maastricht. Dit gebouw kennen we beter onder de naam Dinghuis, gelegen aan de Kleine Staat. In het Dinghuis zetelde in vroeger tijden het hooggerecht van de tweeherige stad Maastricht. In de kelders, maar ook elders in het gebouw, waren gevangeniscellen aanwezig.

Toen het nieuwe stadhuis op de Markt in 1664 in gebruik werd genomen, en ook het hooggerecht daarheen verhuisde, bleef het Dinghuis in gebruik als gevangenis. En zo kon het dus zijn dat vanaf het platteland meerdere bokkenrijders binnen de stadsmuren van Maastricht terecht kwamen en opgesloten werden in het Dinghuis. Gedurende hun verblijf in het Dinghuis werden de verdachten gemarteld en soms ook geconfronteerd met andere verdachten, om op die manier wederzijdse bekentenissen uit te lokken. Eén van die gevangenen in het Dinghuis die er verdacht van werden tot de “fameuse bende” te behoren was Willem Vrancken, woonachtig in de buurtschap Broekhoven, gelegen in de jurisdictie (rechtsgebied) van de schepenbank Geulle.

Toen op 8 januari 1774 een arrestatiebevel tegen Willem werd uitgevaardigd, was hij 37 jaar oud. Voor zijn echtgenote, de 35-jarige Agnes Pluis, en zijn twee zonen Gerard (elf jaar) en Willem junior (vijf jaar), moet het een ware ramp zijn geweest dat hun echtgenoot en vader in de boeien werd geslagen en afgevoerd werd. Na ruim een maand opsluiting in het Dinghuis had Willem nog geen vrijwillige bekentenis afgelegd. Hij werd daarom veroordeeld tot een ‘scherp examen’, een verhoor onder foltering. Uiteindelijk zou hij ‘bekennen’ dat hij tot de “fameuse bende” behoorde. De gruwelijke folteringen zullen niet langer houdbaar zijn geweest voor hem. Op 29 maart 1774 werd hij in Geulle opgehangen aan de galg. Deze galg stond voor de toegangsbrug naar het kasteel van Geulle.

Het Dinghuis (omstreeks 1900). Bron: Website Ministère de la Culture, France

Het “Gespuys” uit Elsloo
Ook bokkenrijders uit onder meer Elsloo zouden terecht komen in het Dinghuis. Zo zaten in 1773 Jan Wanten en Pieter Penders, beiden 48 jaar oud, gevangen in het Dinghuis. Zij waren woonachtig in het gehucht Catsop, gelegen in de jurisdictie van de schepenbank Elsloo. Ook zij zouden na diverse foltersessies uiteindelijk ‘bekennen’. Aan hun leven kwam op 8 november 1773 een einde toen zij die dag allebei aan de galg in Elsloo werden opgehangen. In totaal werden die dag zes mannen in Elsloo opgehangen, waaronder ook Michiel Minten, een zwager van Pieter Penders.

Dit was een dusdanig nieuwsfeit dat de ophanging zelfs onder meer de “Oprechte Haerlemsche Courant” haalde, maar ook bijvoorbeeld de “Groninger Courant” en de “Middelburgsche Courant”. In die kranten werden ze aangeduid als “dat Gespuys”. Uit de berichten blijkt ook dat op de dag van de ophanging van de zes mannen, 8 november 1773, vijf ‘leden’ van de “Bende” werden opgesloten in het Dinghuis. Het zal in Maastricht een komen en gaan zijn geweest van bokkenrijders. Op het moment van hun ophanging wisten Jan Wanten en Pieter Penders niet dat bijna drie jaar later de dochter van Jan, Maria Catharina Wanten (1752-1818), in het huwelijk zou treden met de zoon van Pieter, Hendrik Penders (1749-1805). Een achterkleindochter van dit echtpaar Penders-Wanten, Maria Catharina Elisabeth Penders (1849-1886), zou in 1874 trouwen met Joannes Vrancken (1841-1919), een achterkleinzoon van de hiervoor genoemde bokkenrijder Willem Vrancken.

Tweeënhalve eeuw na de gruwelijke en dramatische gebeurtenissen in 1773 en 1774 zou één van de nakomelingen van het echtpaar Vrancken-Penders ervoor zorgen dat het bokkenrijdersverhaal van zijn voorouders gepubliceerd werd in de grootste online krant van Maastricht.

Het nieuwsbericht dat op 10 november 1773 verscheen in de “Oprechte Haerlemsche Courant” over de ophanging van zes bokkenrijders in Elsloo op 8 november 1773. Bron: Delpher

De duimschroeven worden aangedraaid
De geïnteresseerde lezer zal zich wellicht afvragen hoe een foltering in het Dinghuis eraan toe ging. Dankzij een akte, die de Maastrichtse notaris F.B. Demelinne op maandag 18 juli 1701 passeerde, krijgen we een klein inkijkje in hetgeen zich zoal afspeelde in het Dinghuis. Op die dag ontving deze notaris vier personen op zijn kantoor, namelijk Gerard Maltourné, Sophie Tessers, Joannes Ghijsen (ongeveer achttien jaar oud) en Catharina Gijsen (ongeveer dertien jaar).

Op verzoek van Hans Hendrick Brooken was dit gezelschap naar de notaris gegaan om een verklaring af te leggen. Op dinsdag 12 juli waren zij namelijk aanwezig geweest in het Dinghuis. Om half zeven in de ochtend waren daar de schout en schepenen van Rijckholt gearriveerd. Schout en schepenen waren vóór de Franse Tijd (1794-1814) belast met bestuurlijke en gerechtelijke taken op lokaal niveau (de eerder genoemde schepenbank), in dit geval dus in Rijckholt. De scherprechter (beul) van de stad Maastricht vergezelde dit gezelschap uit Rijckholt.

Waarom de vier personen die zich later bij notaris Demelinne zouden melden, aanwezig waren in het Dinghuis is niet helemaal duidelijk. Wellicht waren zij er werkzaam. Zij waren er in ieder geval (heimelijk?) getuige van hoe de scherprechter opdracht kreeg om de duimschroeven aan te brengen bij Hans Hendrick Brooken. Op die wijze wilden schout en schepenen Hans Hendrick blijkbaar tot een bekentenis te dwingen, maar hij bleef ontkennen. Tot drie keer toe werden de duimschroeven harder aangedraaid, zo verklaarden de getuigen.

Omdat Hans Hendrick bleef weigeren om te bekennen, werden aan zijn scheenbenen ook schroeven aangebracht en aangedraaid. De getuigen hadden gehoord dat Hans Hendrick toen “schroomelijck schreuwde”, zonder ook maar een bekentenis af te leggen. De scherprechter kreeg vervolgens de opdracht om het hemd van Hans Hendrick uit te doen en hem te blinddoeken met “eenen witten neusdoeck”. Aan een balk boven zijn hoofd werd een katrol vastgemaakt met een koord. De handen van Hans Hendrick werden achter zijn rug bij elkaar gebonden, waarna hij werd vastgemaakt aan het koord dat bij de katrol hoorde. Hij werd meerdere keren op en neer getakeld.

Deze martelmethode werd de wipgalg genoemd. Omdat de handen omhoog werden getrokken, langs de rug tot over het hoofd, was het gevolg in de meeste gevallen ontwrichting van de schouders. Ondanks deze gruwelijkheden bleef Hans Hendrick weigeren om te bekennen, zo verklaarden de getuigen. Wat de aanklacht tegen Hans Hendrick was, en hoe het verder met hem afliep is helaas (nog) niet bekend.

Een voorstelling van de martelmethode die de wipgalg werd genoemd. Deze methode werd zelfs nog toegepast in diverse concentratiekampen van nazi-Duitsland. Bron: Public Domain, Wikimedia Commons

Nu ga ik verder met het onderzoek naar de woonplaats, ouders, en het gezin van Peter Penders en zijn vonnis.

Geboorte inschrijving van Peter Penders.

Peter Penders werd geboren in 1725 in Catsop. Zijn ouders waren Petrus Penders en Odilia Bovens. Odilia’s moeder heette Barbara Brorens, en haar vader stond geregistreerd als Henricus Bovens, hoewel hij soms ook de achternaam Janssen gebruikte. Dit betekent dat hun kinderen zowel de naam Bovens als Janssen kon hebben, een mysterie uit het verleden. Peter Penders (senior), de vader van Petrus, stamde af van Peter Penders en Elisabeth Theeuwissen.

Peter Penders trouwde met Maria Lucia Hendrix. Hoewel er geen officiële huwelijksinschrijving is gevonden, is door het raadplegen van notariële akten en gichtregisters duidelijk geworden dat zij wel degelijk getrouwd waren.

Maria Lucia Hendrix, roepnaam Lucie, was een dochter van Paul Hendrix en Joanna Lenaerts. Joanna was geboren op “de Dries” in Catsop. In het boek “Ze hingen in drie Reysen” wordt gesuggereerd dat Maria Lucia mogelijk een zus was van Peter Hendrix, een bekende Bokkenrijder, maar dat klopt niet; Peter was in werkelijkheid haar neef. Peter Hendrix wist te vluchten en had daarmee geluk, want hij keerde later terug naar Catsop.

Een interessant detail uit de geboorte inschrijving is de vermelding van getuigen zoals Joes Willems, de vader van de echtgenote van “Bolderjan” (Johannes Driessen), een andere gevluchte Bokkenrijder. Volgens het boek zou Peter Penders hem hebben gewaarschuwd om te vluchten, en dit lijkt aannemelijk omdat ze familie waren.

De geboorte inschrijving van Odilia Bovens de moeder van Peter Penders

Het gezin van Peter Penders (senior) en Odilia Bovens bestond uit vier kinderen, waarvan twee belangrijk zijn om hun woonplaats te traceren. De oudste dochter, Elisabeth Penders, trouwde met Michiel Minten (ook bekend als Menten), die gedoopt werd in Geleen, in de Grunstraat. Hun derde kind, Peter Penders, trouwde later met Maria Lucia Hendrix. Hiermee waren Peter en Michiel (Machielke) zwagers, hoewel ze toen nog niet wisten dat hun lot tragisch zou eindigen.

Machiel, zoals hij vaak in akten werd genoemd, trouwde in Elsloo, waar ook enkele van zijn kinderen werden geboren. Later verhuisde het gezin naar Put-Schinnen, maar ze keerden terug naar Catsop en gingen wonen in het ouderlijk huis van Peter Penders nadat zowel zijn schoonmoeder (Menten) als zijn moeder (Penders) overleden waren. In 1757 vond er, bij notaris Caenen in Rekem, een erfmangeling of permutatie plaats. Dit was een ruiling van percelen tussen twee partijen, waarbij het verschil in waarde werd gecompenseerd door een betaling. En Peter kreeg hier dan ook geld uitgekeerd. En Peter kocht ook laatgoed en bouwgrond destijds en leende daar geld voor.  

In die tijd waren hun buren Peter Bovens en Maria Catharina Brorens. Dit wordt bevestigd door een gicht uit 1769, waarbij al een landmeter betrokken was. Helaas is de originele akte van de landmeter niet bewaard gebleven.

Dit is een passage uit de gicht van Peter Bovens, de schatheffer (dorpsmeester), waarin staat dat hij geld moest lenen voor de aankoop van een hof en ander laatgoed. Er was blijkbaar een erfdeling geweest, waarbij zijn schoonmoeder, weduwe Brorens (Anna Gertrude Hendrix), zijn buurvrouw werd. Dit wordt ook in het boek genoemd, en daarnaast blijkt dat Machiel Menten destijds in het huis van zijn schoonmoeder Odillia Bovens woonde.

Peter Bovens, als schatheffer, inde de belastingen voor de kasteelheer. Hij betaalde deze vooraf en haalde het later weer terug van de inwoners van Catsop, waarbij hij er wat opcenten bovenop deed. Hij was daardoor niet erg geliefd bij de dorpsbewoners. Uit verschillende geschriften blijkt dat hij sommige inwoners uitschold en vernederde. Uiteindelijk wist Peter het noodlot echter niet te ontlopen en werd ook hij opgehangen. Binnen een jaar tijd waren er in Catsop drie weduwen die allemaal buurvrouwen van elkaar waren.

Maria Catharina Brorens, een van die weduwen, vond ik in een gichtregister van 23 november 1759, waarin ze nog ongehuwd was. Ze had een broer genaamd Joannes Brorens, van wie een zoon later op de plaats van zijn grootmoeder, Anna Gertrude Hendrix , zou gaan wonen. Anna Gertrude Hendrix leefde in 1759 nog. Zij was de dochter van Nicolaas (‘Kamaraatje’) Hendrix en Maria Lucia Brugman, de eigenaars van het hof in Catsop (nu een ijsboerderij). van Maria Lucia’s oom, de schipper Michiel Coninx, van wie zij het erfde, waardoor Anna Gertrude Hendrix op het hof werd geboren. Ook Paul Hendrix, de vader van Maria Lucia Hendrix (de echtgenote van Peter Penders, de Bokkenrijder), werd op dit. hof geboren.

In 1755 vond ik een gicht waarin Pieter Penders en Lucia Hendrix een “bouagie” (bouwplaats) kochten van Hendrik Kreuger. Dit zou mogelijk de plek kunnen zijn waar hun huis in die tijd is gebouwd. Deze akte werd opgemaakt door notaris Caenen bij in Rekem. Deze akte komt nog terug in een civiele zaak na de executie.

Hoewel er in die tijd nog geen kadasterkaarten waren, werd er in de 17e eeuw toch een unieke kaart van Catsop gemaakt. Ik kan het niet nalaten om deze kaart te tonen, omdat deze een zeldzaam inzicht geeft in de indeling van Catsop. Hoewel de kaart een andere tijd betreft dan die van de Bokkenrijders, geeft het een idee van de woonplaatsen van de drie veroordeelden. Echter, zoals bij veel historisch onderzoek, zijn er slechts beperkte kaarten beschikbaar uit die tijd.

Kaart uit 1686 van Catsop: ik heb zelf de namen erbij gezet, en uit alles blijkt dat het eerste huis een Brorens-huis was. Als u bekend bent in Catsop en vanaf de kapel naar “den Dries” gaat, bevindt dit huis zich in de oude kern, als het tweede huis aan de rechterkant. Wat we zeker weten is dat Peter Bovens er woonde en zijn schoonmoeder Hendrix en Menten in een huis.

Dus dit is de situatie van nu is. Vroeger zag het heel anders uit . De boerderij van Brorens stond op het perceel waar nu het tweede huis of boerderij staat. We zullen straks ontdekken waar Penders woonde. 

In die tijd, en zeker in de periode van de Bokkenrijders, was men niet in staat om gemakkelijk te verhuizen of nieuwe huizen te bouwen. Ze waren blij met wat ze hadden, en meestal bleven de kinderen en zelfs kleinkinderen op dezelfde plaats wonen.

In het geval van Pieter Penders lijkt het erop dat hij in 1755 een bouwplaats kocht van een zekere Hendrik Kreuger, waar hij zijn huis heeft gebouwd. Dit huis zou naast dat van Peter Bovens hebben gestaan. Michiel Menten woonde in het ouderlijke huis van Peter Penders en Odilia Bovens, wat bevestigd is door documenten. Peter Bovens woonde aan de andere kant van de boerderij, die al in 1786 was verdeeld. Er werd een landmeter bij betrokken, maar die akte is helaas niet bewaard gebleven. In 1790 kwam er echter opnieuw een landmeter, en een deel van deze metingen is nog beschikbaar.

Hoe zag zo’n boerderij er in die tijd ongeveer uit?

Deze foto is genomen in Catsop rond 1926, bij Steegmans. Zoals je kunt zien, was er aan de achterkant nog een woning, waar de dame staat. Dit geeft aan dat deze boerderijen vaak verdeeld werden. Dit was ook het geval bij de boerderij van Brorens (Bovens en Menten)

Deze lange boerderijen waren opgedeeld in kamers, waaronder een keuken en stallen, die afzonderlijk werden verdeeld bij een verdeling. Vaak was er een moesthof of coolhof bij, waar men groenten kweekte. voorkomende werden koolsoorten geproduceerd; aardappelen was een luxe product, maar pastinaken wel. In het geval van Peter Penders woonden zijn ouders achter in de boerderij

Peter Penders was kleermaker van beroep en stond in de volksmond bekend als ‘de lange snieder’ (de lange kleermaker), vanwege zijn lengte. Hij maakte eenvoudige kledingstukken, zoals boerendoeken en schouderdoeken, passend bij de bescheiden tijd waarin men leefde. Van kleding bracht een hele keten van werkzaamheden met zich mee: de boeren zaaiden vlas en hennep, de vrouwen sponnen, en de wevers weefden. Veel bokkenrijders waren dan ook wevers van beroep.

In die tijd heerst grote armoede, en de weerstand tegen het feodale systeem nam toe. Het dagelijkse leven kende weinig luxe; koffie en thee werden niet gedronken, maar bier vloeide van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. In de ochtend namen mannen vaak ook een borreljenever. Hoewel het alcoholpercentage lager dan tegenwoordig was, was het dronkenschap veelvoorkomend. Dit baarde zorgen, en het gezag greep vaak in door boetes uit te delen.

We richten ons op het vonnis en de rechtszaak van Pieter Penders. Op of rond 24 september 1773 werd er bij Pieter thuis, op de dries in Catsop, op de deur geklopt en werd hij gearresteerd. Zijn kinderen waren destijds ongeveer de volgende leeftijden: Henricus 24 jaar, Leonard 23 jaar, Peter 20 jaar en Paulus 15 jaar. Of ze op dat moment nog allemaal thuis woonden, is onbekend, maar hun huwelijken vonden later plaats. Leonard trouwde als eerste in 1775. Pieter (Bokkenrijder) was toen 48 jaar, en zijn zoons en echtgenote hebben deze gebeurtenissen bewust meegemaakt. Dat moet ingrijpend zijn geweest.

Als Pieter daadwerkelijk een crimineel was, hadden ze vast en zeker gestolen goederen of sporen van de overvallen bij hem aangetroffen. Echter, uit de schependocumenten blijkt nergens dat er iets belastend is gevonden of dat er iets dergelijks is vermeld. De familie Penders ging onzekere tijden tegemoet, maar de vraag blijft hoe zijn naam werd verbonden aan deze bende. Dat willen we nu nader onderzoeken.

Ook Michael Menten, Pieters zwager, werd gearresteerd. Later bleek dat hij een langer strafblad had. Zou hij Pieter bij de bende hebben betrokken? Helaas zullen we daar waarschijnlijk nooit achter komen.

De arrestatie van Paulus Janssen, de veldbode, bracht veel namen van Bokkenrijders uit Elsloo aan het licht. Bij hem werd een lange lijst aan gestolen goederen gevonden; zelfs had hij hooi gestolen en bij Gijzen Daalstraat (Catsop) in de schuur geplaatst. Daarnaast waren er bij Renerius Janssen op het einde in Catsop , mogelijk een familielid, vaten met gestolen rogge aangetroffen. Van Paulus (de rode Pouwels)  was bekend dat hij een slecht karakter had, met name door de verwaarlozing van zijn gezin. Hij ontkende echter alles en werd onderworpen aan tortuur. In die tijd mocht dit en waren er zelfs regels voor: als iemand bekende, moest men hem verder met rust laten. Helaas werden deze regels in Maastricht regelmatig door de schepenen geschonden.

Paulus Janssen brak onder de marteling en noemde diverse namen, waardoor de jacht op Bokkenrijders op gang kwam. Deze werd echter aarzelend gestart; er werden aanvankelijk weinig mensen gearresteerd. In het boek wordt zelfs gesuggereerd dat leden van de bende contacten hadden met beter gesitueerden, wat mogelijk verklaart waarom zo’n groot deel van de Bokkenrijders voortvluchtig bleef.

Het is belangrijk om te beseffen dat dit alles plaatsvond in een tijd waarin onmenselijke straffen vaker voorkwamen. Het boek beschrijft martelmethoden die vandaag de dag onvoorstelbaar lijken, en waarbij onthoofding nog relatief gezien een milde straf was voor de veroordeelde.

Midden september 1773 werd Paulus Janssen, ook bekend als “de rode Pouwels,” veldbode van Catsop, naar Maastricht gebracht nadat hij was verraden door de vilder Hersseler uit Neerbeek. De reden hiervoor was dat men in Elsloo niet het recht had om tot marteling over te gaan. Op 25 september werd Jan Wanten verhoord en op 26 september volgde het verhoor van Pieter Penders. Beide mannen ontkenden de beschuldigingen. Jan Wanten hield het twee dagen vol, maar bezweek uiteindelijk onder de martelingen van de beul en begon namen te noemen. Pieter Penders bleef echter volharden in zijn ontkenning en werd onderworpen aan een intensievere ondervraging. Op 18 oktober bekende hij uiteindelijk, hoewel dit naar mijn mening gebeurde onder omstandigheden die in strijd waren met de regels voor marteling.

De ondervragingen werden gadegeslagen door de schepenen Gudi en Otzeling in Maastricht. Achteraf bleek dat de kasteelheer slechts één schepen, Gudi, had betaald; de andere, zo liet hij weten aan drossaard Heer Limpens, was niet door hem aangesteld. In andere dorpen, zoals Beek en Heerlen, werden schepenen betaald met inkomsten uit de verkoop van in beslag genomen goederen van de Bokkenrijders. Hoewel er mogelijk vergoedingen zijn geweest, viel er bij de meeste arme verdachten weinig te halen. Toch bleven veel schepenen nog jarenlang aandringen op compensatie voor de gemaakte onkosten.

De schepenen droegen verschillende functies: ze waren niet alleen notaris of advocaat, maar ook rechter (rechtsgeleerde), rentmeester, en penningmeester. Ze bezaten doorgaans veel land en eigendommen; anders kwam men in Elsloo niet in aanmerking voor deze functies. Met hun verschillende rollen genoten ze aanzien. Tijdens de Bokkenrijdersprocessen werd het gerecht van Elsloo tijdelijk uitgebreid met drie schepenen uit andere dorpen om de onpartijdigheid te waarborgen. Dit waren C. Otzeling, schepen van Eijsden, H. Milliard, schepen van Bemelen, en H.M. Nijpels. De vraag blijft echter of deze maatregel werkelijk zorgde voor een onbevooroordeelde behandeling, gezien hun nauwe onderlinge banden.

Pieter Penders had inmiddels bekend, evenals zijn zwager Machiel, ook bekend als Michiel Minten (of Menten). Het boek vermeldt dat zij geen onbekenden waren voor het gerecht en stonden bekend om hun drift en agressie jegens anderen. Hoewel dat op zichzelf geen reden is voor een doodvonnis, kan het wel hebben bijgedragen aan geruchten en roddels die hen verdacht maakten.

Het vonnis leek onafwendbaar: Pieter werd door het gerecht schuldig bevonden. Maar wat me opvalt, is dat er geen advocaat lijkt te zijn aangesteld voor de beschuldigde Bokkenrijders, hoewel dat destijds mogelijk was. In rechtszaken uit het verleden, waaronder een die ik ooit inzag van mijn eigen voorouders, wordt doorgaans gesproken over de beklaagde (in dit geval Pieter Penders) en de aanklagers, de schepenen. Hier ontbreekt echter iedere vermelding van juridische bijstand voor Pieter en zijn medeverdachten. Volgens het vonnis dat we straks bespreken, zou Pieter niet gemarteld zijn. Toch geeft het boek aan dat hij onderworpen werd aan martelingen, zoals het gebruik van duimschroeven, waardoor hij zelfs niet in staat was te ondertekenen. Pieter was echter geletterd en had wel degelijk kunnen tekenen, wat een tegenstrijdigheid oplevert.

De akte van Machiel Menten en Pieter Penders, ondertekend op 8 mei 1757, werd door Pieter zelf ondertekend bij notaris Caenen in Rekem. Er was destijds een school in Elsloo, dus het is goed mogelijk dat hij daar onderwijs heeft gevolgd.

Ik heb Guus Peters gevraagd waar de executie in Elsloo heeft plaatsgevonden. De executieplek werd voorbereid op de S Heerenbeemden, een gebied tussen de Maas en het bos/park. Hier werden de Bokkenrijders opgehangen, en niet op De Hoogte, waar de officiële gerechtsplaats zich bevond. De galg stond vermoedelijk niet ver van het kasteel, achter de Wiert, waar zich nu het kanaal bevindt. Sjaak de Heiboer (Janssen) vertelde me ooit dat deze plek bekend stond als het “gellikske.”

De galg zelf werd bewaard in de schuur van het kasteel. Sjaak vertelde dat zijn ouders, die voor het kasteel werkten, de galg destijds nog hebben gezien. Maar het zal niet dezelfde galg zijn geweest wat ze gebruikte bij de bokkenrijders.

De dag van de executie

Op 8 november 1773 vond de executie plaats. De beul, Jan Hamel uit Maastricht, die eerder de gevangenen onder tortuur had gezet, voerde de executie uit. Later zouden zijn zonen de guillotine bedienen voor de Fransen in Maastricht.

De Baptisten hebben een lijst bijgehouden van degenen die werden opgehangen. Ik heb een kopie gemaakt van alleen de eerste namen op die lijst.

Ik heb het Latijn vertaald.

Enkele namen van overledenen uit deze parochie heb ik verzameld en aan dit register toegevoegd, zodat ze later konden worden teruggevonden op een losse lijst, nadat ik dit register in een nieuwe volgorde had herschikt. De namen van de overledenen stonden op deze lijst in de oorspronkelijke volgorde.

Hoewel deze personen als goddeloos werden beschouwd en niet in gewijde grond mochten worden begraven, hebben ze toch melding van hen gemaakt – inderdaad op een los blaadje. Alle eenentwintig namen staan erin.

In 1778 startten de heren schepenen C. Otzeling, H. Milliard, en H.M. Nijpels een rechtszaak tegen drossaard Heer Limpens. Deze rechtszaak is goed gedocumenteerd in veel geschriften. Uit de akte blijkt dat 34 personen waren berecht; daarvan werden er 21 opgehangen en wisten 13 te vluchten, wat hun levens heeft gered. Voor Catsop heb ik al enkele van deze personen geïdentificeerd en ik ben van plan om hierover te publiceren. Stel je voor dat ze niet waren gewaarschuwd; er hadden dan zeker nog meer galgen bij moeten komen.

Bij deze gerechtelijke procedures werkten de schepenen met advocaten om vergoedingen voor het werk dat ze hadden verricht voor Elsloo betaald te krijgen.

De Executie

Deze mannen (zie afbeelding) ofwel Bokkenrijders stonden klaar om opgehangen te worden, en ik vermoed dat veel inwoners uit Elsloo, Meers, Terhagen en Catsop waren samengekomen om dit te aanschouwen. Deze dorpen vielen allemaal onder de heerlijkheid Elsloo. De schepenen hadden een boodschap voor hen: dat ze de “zondebokken” hadden gevonden en dat dit een waarschuwing was voor iedereen die soortgelijke plannen zou hebben.

Het vonnis van Pieter zal ongetwijfeld luid en duidelijk zijn voorgelezen.

Het orginele vonnis van Pieter Penders geschreven in 1773

Een vertaling van de hier boven is geschreven met een kwinkslag maar het belangrijkste staat er vermeld.

Vonnis

In de zaak van: De Weledele Gesterkte Heer Drossaard van deze Vrije Heerlijkheid en Baronie Elsloo, in naam van het ambt, aanklager (Limpens)

Tegen: Pieter Penders, beklaagde

Nadat de handelingen in de zaak zijn bekeken, namelijk de verslagenheid en besluiten die in de zaak zijn aangehouden en gegeven, de ondervragingen en de volgende  antwoorden van de beklaagde, bovendien de confrontaties, getuigenverklaringen, de conclusie genomen door de Heer Aanklager, en verder handelingen en activiteiten die met een gepast inventaris zijn geregistreerd, en rekening gehouden met alle handelingen die van belang zijn of reden tot actie kunnen geven, met name de bekentenissen van de beklaagde, vrijwillig doorlopen zonder foltering of dwang, en voltooide dat hij al werkte en medeplichtig is als lid van een goddelijke bende en nachtelijke inbrekers die in deze en verschijnen plaatsen wordt ontdekt, en hij samen met hen verantwoordelijk is voor gewelddadige woninginbraken, diefstallen en andere misdaden. De beklaagde was namelijk betrokken bij de gewelddadige woninginbraak en diefstal in de nacht van 22 op 23 augustus 1756 in het huis van Walraven in de Maasband. Hij was aanwezig bij de gruwelijke mishandelingen van de bewoners van het huis en was betrokken bij de diefstal van hun geld en goederen.

Daarnaast wordt de schuldige daarnaast beklaagd aan de gewelddadige inbraak en diefstal enkele jaren geleden bij Campo aan het Nieuwe huis, achter of naast Schimmert. Hij en een groep nachtelijke inbrekers hebben de bewoners van dit huis niet alleen vastgebonden en gekneveld, maar ook hun goederen, bezittingen en geld gestolen. Bovendien heeft de beklaagde deelgenomen aan deze diefstallen en woninginbraken geprofiteerd en behouden.

Sinds enorme omvang misdaden in strijd zijn met de goddelijke en burgerlijke wetten, en in een land waar goede rechtspraak en orde heersen niet kunnen of mogen worden getolereerd, zonder het risico de wrekende hand van God over zich af te roepen,

Is het daarom dat de schepenen van de Vrije Heerlijkheid en Baronie Elsloo, met de toevoeging van een onpartijdig jurist, onder leiding van de eerst presiderende rechter, de beklaagde Pieter Penders veroordelen om binnen het rechtsgebied van deze Vrij heerlijkheid en Baronie naar de plaats te worden gebracht waar mannen opzettelijk de criminele rechtspraak uitoefent. Daar zal hij aan de scherprechter worden overgeleverd en door ophanging ter dood worden gebracht. Zijn lichaam zal daarna in een ijzeren ketting worden geklonken en aan de galg blijven hangen als voorbeeld en afschrikking voor anderen.

Voorts wordt de beklaagde veroordeeld tot betaling van de kosten van justitie, zoals door ons besloten, en tot confiscatie van zijn goederen.

Opgemaakt in het oude stadhuis te Maastricht, na goedkeuring van het territorium, op deze 5e november 1773, in het bijzijn van de heren JW Roëmers, P. Frederix, AM Gudi, C. Otzeling, H. Milliard en HM Nijpels, schepenen van de respectieve heerlijkheden Eijsden, Bemelen en Mechelen aan de Maas.

Afbeelding: “De beul behulpzaam zijn bij executie van ter dood veroordeelden”
(Bron: de geboortevannederland.nl, embedded)

De beul werd meestal bijgestaan door de schutterij van het kasteel. Hoewel deze afbeelding niet van Elsloo is, kunt u zich er toch een voorstelling van maken. In het boek wordt deze situatie ook beschreven zoals op de afbeelding te zien is. Later werden veroordeelden soms ook ondersteboven aan een ijzeren ketting opgehangen, met de ketting bevestigd aan hun voeten, om nog meer afschrikking teweeg te brengen.

Pieter Penders is er niet meer, maar ik zal het vonnis nog eens goed doornemen. We gaan het vonnis van Pieter Penders analyseren. Hoewel dit ruim twee en een halve eeuw geleden is gebeurd, willen we toch proberen te achterhalen of de feiten op waarheid zijn gebaseerd.

Allereerst vermelden de autoriteiten aan de bevolking dat de bekentenissen van de beklaagde, Pieter Penders, vrijwillig zijn afgelegd, zonder foltering of dwang. Maar in werkelijkheid was dat niet het geval. Iedere veroordeelde die naar Maastricht werd gebracht, werd onder tortuur verhoord. Zonder foltering hadden ze dat immers in Elsloo zelf kunnen doen. Ik vermoed dat sommigen al half dood waren voordat ze werden opgehangen. Niemand die naar Maastricht werd gebracht, werd vrijgesproken.

Ten tweede is er sprake van een overval door Del Campo, maar later bleek dat deze nooit heeft plaatsgevonden. Een passage die ik heb overgenomen van deze bron verklaart dit als volgt:

Aangezien de oude Del Campo was overleden, werd zijn zoon Nicolaas junior opgeroepen voor het gerecht. Hij verklaarde op 6 december 1773 dat hij zijn hele leven bij zijn vader in het Nieuwe Huis had gewoond tot diens dood, maar nooit getuige was geweest van geweldpleging, mishandeling of diefstal, noch daarvan had gehoord. Hij voegde eraan toe dat zijn vader hem alles toevertrouwde wat er binnen het huishouden gebeurde.

Pieter Penders heeft weliswaar onder foltering bekend, maar de overval waarvan hij werd beschuldigd, heeft nooit plaatsgevonden. Het gerecht heeft destijds blijkbaar nooit geverifieerd of die overval werkelijk is gebeurd. Opvallend genoeg werd het vonnis voltrokken ongeveer een maand na zijn ophanging.

Dan is er nog de kwestie van de overval op schepen Walraven in Maasband op 22 en 23 augustus 1756, zo’n 17 jaar later. Het is onduidelijk of er destijds een onderzoek naar die overval werd ingesteld of dat men pas later ontdekte dat deze had plaatsgevonden. Volgens het boek stond Pieter Penders op wacht tijdens deze overval, iets wat nu niet meer te achterhalen valt. Opvallend is ook dat bij deze overval een groot aantal bokkenrijders betrokken was.

Er zijn uiteraard meerdere overvallen gepleegd, maar deze worden niet allemaal bij Pieter genoemd. Wel zou men de eed der bokkenrijders bij hem kunnen afleggen, iets wat ook door anderen is verklaard. Dit kan echter ook onder dwang zijn verklaard. Volgens het boek woonde Paulus Janssen (bijgenaamd ‘de Rode Pouwels’) niet ver van Pieter Penders. Het lijkt aannemelijk dat de eed ook daar is afgelegd – waarom zou men deze juist bij twee nabije bokkenrijders laten plaatsvinden? Paulus Janssen gaf zelf toe dat hij Pieter Penders had gevraagd om lid te worden van de bende; hij rekruteerde blijkbaar ook mensen in Catsop.

Er zijn natuurlijk heel veel kanttekeningen bij deze executie maar het is wel echt gebeurd maar het is niet aan mij om te oordelen, ik heb alleen geprobeerd om het proces flinterdun te benoemen.

Of Pieter Penders en zijn gezin de kosten hebben betaald is eveneens niet te achterhalen, hij had wel eigendommen en had ook eigen geld gehad. Dat bleek uit verschillende gichtregisters en notariële aktes. Er werd zelfs een gemaakt vlak voor zijn executie die we inzien.

Op 29-09-1773  Registratie belening voor notaris Adam Matthias Gudi op 26-07-1773.

Piter Penders gehuwd met Maria Lucia Hendrix, inwoner van de vrije baronie Elsloo

In belening uitgeeft aan

Augustinus Janssen mede-inwoner van deze baronie, gehuwd met Petronella Janssen

82 kleine roeden akkerland gelegen onder de heuvel onder Elsloo

Reingenoten; ten eenre Joannes Ghijsen ter andere zijde Steven Bovens.

De uitgever houdt het perceel in gebruik, maar levert de helft van de oogst aan de acceptant, zolang de betaalde beleenpenningen van 120 gulden niet zijn terugbetaald.

Het perceel is enkel met de ordinaire schattingen en tiende belast.

Getuigen; Wilhelmus Baliens en S.M. Vlieks beiden burgers van Maastricht

Bron Kenneth Booten

notarisakte van Gudi is van juli 1773. Het betreft een belening. Penders leent geld. Hij betaalt geen rente, maar dient jaarlijks de helft van de oogst op een perceel als vergoeding aan de tegenpartij af te dragen.

Dus dit is de laatste akte van Peter in zijn leven en ook nog bij schepen (Notaris) Gudi die hem later onder tortuur zet zou er toen al een verdenking zijn geweest we zullen het nooit weten paar maanden later zal Pieter op gepakt worden.

Er zij natuurlijk meerdere aktes en gichtregisters van Pieter Penders.

We vervolgen met de echtgenote van Pieter Penders, Maria Lucia Hendrix, en hun kinderen, van wie de meesten al volwassen waren. De economische situatie van de nabestaanden was zorgwekkend, en hun maatschappelijke positie liet veel te wensen over. De meesten behoorden al tot de lagere sociale klasse en werden door de bevolking als uitschot gezien. Wanneer de kinderen trouwden, gebeurde dit vaak met lotgenoten, wat de onderlinge banden binnen de bokkenrijdersfamilies versterkte. Het is dan ook begrijpelijk dat zij te maken kregen met grote vernederingen en veel roddels. Ze werden overal van beschuldigd en fungeerden als de nieuwe zondebokken.

Met het wegvallen van het hoofd van de familie verslechterden de inkomsten. Daarnaast waren er nog percelen die Pieter Penders had gekocht en waarvoor de betalingen niet volledig waren voldaan. Dit leidde voor Lucie Hendrix tot civiele zaken, waaronder een aankoop in 1755 waarvoor geld was geleend. In 1779 stond er nog een schuld open van 300 gulden, waarvan al jaren geen rente was betaald. De Capellanie Sint Martinus te Maastricht eiste hun geld terug, wat vaak resulteerde in de verkoop van het onderpand om de schuld te vereffenen. Hierdoor raakte de familie verder verarmd.

Het gezin Penders bestond uit moeder Lucia Hendrix en haar vier zonen: Hendrik, Leonard, Pieter en Paulus. Op 16 maart 1773 werd er een akte opgesteld waarin Maria Lucia Hendrix afstand deed van haar vruchtgebruik, zodat haar zonen Hendrik, Leonard, Pieter en Paulus een lening van 158 gulden konden verkrijgen tegen een rente van 5% bij de armen van Elsloo. Het perceel diende hierbij als onderpand.

16/03/1775

Pagina 98v-99v

Registratie van tochtafstand en daaropvolgende obligatie, waarbij:

Tochtafstand

Lucia Hendrix, weduwe van Piter Penders, inwoonster van Catsop, doet afstand van haar vruchtgebruik ten behoeve van haar gezamenlijke kinderen: Hendrik, Lendert, Piter en Paulus Penders.

Dit betreft de volgende percelen:

  1. 133 kleine roeden, gelegen aan de heuvel.
    1. Buren: aan de ene kant het hooftland te Catsop, aan de andere kant Welter Penders te Beek.
  2. 50 kleine roeden land, gelegen op het Hestert.
    1. Buren: aan de ene kant Peter Beukelaers (of Berkeleers?), aan de andere kant Dirk Lenders.

Obligatie

De gezamenlijke kinderen Penders lenen 158 gulden tegen 5% rente van de Armen van Elsloo.

Borgstellingen:

De bovengenoemde percelen dienen als onderpand. Dus de moeder doet afstand van haar vruchtgebruik en de kinderen kunnen nu wel laatgoed en dergelijke kopen ze lenen van de armenkas.

Bron Kenneth Booten .

We gaan verder met de kinderen en Lucia Hendrix (Moeder)

Leonard Penders werd geboren in Catsop op 20 juli 1751 en trouwde in 1775 in Elsloo. De eerste van de kinderen die in het huwelijk treedt, is niet de oudste, maar Leonard (ook wel Lendert genoemd). Hij trouwt met Anna Beckers, ook bekend als Anna Catharina Beckers, dochter van Nicolaas Beckers en Maria Janssen. Dit koppel was net vóór de tijd van de bokkenrijders een fortuinlijke familie. Nicolaas Beckers was schepen in Elsloo, een functie die alleen werd toegekend aan personen met aanzienlijke bezittingen. Hij bezat meerdere huizen.

Het is aannemelijk dat Anna Beckers, als de situatie na de bokkenrijderstijd onveranderd was gebleven, niet met Leonard Penders zou zijn getrouwd. Waarschijnlijk woonde ze nog wel in een huis van haar ouders, dat al generaties in de familie was. Dit huis behoorde eerder aan haar grootouders Joannes Beckers en Anna Maria Claessen, en daarvoor aan Mathijs Claessen en Meijke Haegens. Ik zal de details van de familie Beckers in een aparte sectie behandelen.

Uit onderzoek naar het Memories van Successie na het overlijden van Anna Beckers bleek dat haar huwelijk met Leonard niet haar eerste was; ze was eerder getrouwd met Lambert Wanten, een bokkenrijder die samen met zijn vader werd opgehangen. Tragisch genoeg was ook Lambert verwant aan Pieter Penders tot in de derde graad. Lambert Wanten had het huis, samen met Anna Catharina Beckers, geërfd maar raakte daardoor diep in de schulden.

In het Memories van Successie staat dat Gertrude Wanten haar voorkind was en erfgenaam werd van haar nalatenschap. Gertrude was dus de dochter van Lambert Wanten. In het boek wordt een roddel beschreven over Anna Beckers en Gertrude Wanten om te illustreren hoe de nazaten van bokkenrijders werden behandeld. Er staat vermeld dat Anna weduwe van Lambert Wanten was, wat klopt, maar op dat moment was ze al hertrouwd met Leonard Penders en had ze kinderen met hem .Ik zal het verhaal kort samenvatten, het volledige verhaal is in het boek te lezen.

In de civiele zaak die aan deze roddel ten grondslag ligt, staat dat Gertrude Wanten 21 jaar oud was, en het proces vond plaats op 19 juni 1792, wat haar geboortejaar op 1771 brengt. Dit komt overeen, want Maria Gertrudis Wanten werd geboren op 5 januari 1771. Haar roepnaam was Gertrude.

De originele doop inschrijving van Gertrude en haar moeder word hier ook Anna genoemd.

Er werd geroddeld dat er een pasgeboren kind dood was gevonden, waarop de drossaard en de schepen werden ingeschakeld voor een crimineel onderzoek. De vinder van het lijkje moest zich verantwoorden, maar hij gaf een andere verklaring dan het gerecht had verwacht. Anna, de moeder van Gertrude, werd ondervraagd en verklaarde dat haar klompen met bloed waren besmeurd omdat Gertrude zich niet goed voelde. Dit was opgemerkt door een heer Frederix, die het besproken had met zijn echtgenote en een weduwe. Toen begon het geroddel pas echt. De volgende beschuldiging was dat Gertrude een kind had gekregen en het in de tuin had begraven. Gertrude werd van alle kanten zwartgemaakt, en de hele tuin van Anna Beckers werd omgespit – zonder resultaat, want er werd geen lijkje gevonden.

Alsof dit nog niet genoeg was, werd Gertrude verplicht een medisch onderzoek te ondergaan in Rekem door de arts Joseph Kosner. Hij stelde vast dat ze nooit een kind had gebaard en dat er bij haar nooit een bevruchting had plaatsgevonden. Gertrude werd hiermee in ere hersteld, en de aanklacht werd ingetrokken.

In het boek stond de volgende tekst, die ik hier citeer:
“Hoe velen zijn nog het slachtoffer geworden van dorpsroddels? Hoe velen werden nu bokkenrijder genoemd?”

Later datzelfde jaar gaat Gertrude Wanten in Catsop wonen en trouwt met Martin Bovens, de zoon van een bokkenrijder; hierover zal ik meer vertellen in een andere sectie.

We hebben het nu over Leonard Penders en Anna Beckers. Zij kregen acht kinderen, waarvan enkele vroegtijdig stierven. Uit verschillende akten blijkt dat ze zich uiteindelijk goed hebben hersteld, en hun kinderen trouwden, voor zover ik kan nagaan, niet meer met nazaten van bokkenrijders.

Een van de akten laat zien dat Leonard Penders en Anna Beckers een zus, Maria Catharina Beckers, tegemoetkomen door haar bezittingen over te kopen. Deze bezittingen waren oorspronkelijk eigendom van Maria Catharina, de echtgenote van Jan Jongen (een bokkenrijder die opgehangen werd). Maria was inmiddels hertrouwd, maar Jan Jongen had destijds geld geleend van drossaard Limpens uit Elsloo (later van Rekem) en had haar voor de rechter gedaagd in 1789. Leonard Penders en Anna Beckers kochten de goederen over van de kinderen uit het eerste huwelijk van Maria Catharina Beckers, die de naam Jongen droegen. Dit laatgoed lag in Catsop, aan de Veestraat, en werd voor 216 gulden gekocht, als tegemoetkoming op een schuld van 500 gulden. De gezworen voogden van de minderjarige kinderen – Dirk Martens, Lendert Penders zelf, en Casper Driessen, allen zwagers – regelden de verkoop. Later zou Anna’s zus nog een verkoop van land organiseren om de schuld verder af te lossen.

Een van mijn voorouders is een dochter van Leonard Penders en Anna Beckers: Marie Catharina Penders. Zij trouwde met Theodoor Lenaerts, de zoon van de dorpsmeester Otto Lenaerts, en woonde in de Dorpstraat in het huis van Coninx.

Het tweede kind van Lucia Hendrix dat trouwt, is Hendricus Penders. Hij werd geboren op 6 april 1749 in Catsop en was de oudste zoon. Op 24 oktober 1776 trouwde hij met Maria Catharina Wanten. Maria was de dochter van Jan Wanten, een bokkenrijder die bekend stond als “de gardenier” of “schoppenaas.” Jan Wanten was getrouwd met Cornelia Penders uit Catsop, waardoor Hendricus en Maria Catharina dispensatie kregen voor hun huwelijk vanwege hun verwantschap in de derde graad.

Maria Wanten was bovendien de zus van Lambert Wanten, de eerste echtgenoot van Anna Beckers, die in haar tweede huwelijk trouwde met Leonard Penders.

Pieter Penders, het derde kind van Lucia Hendrix, werd geboren op 22 november 1753 en trouwde op 26 november 1779 met Maria Cornelia Heuts. Zij was de dochter van de bokkenrijder Leendert Heuts, ook bekend als de “Scheerman.” Leendert Heuts werd opgehangen op de Hussenberg bij Geulle. Het huis waarin hij woonde, staat nog steeds in Geulle.

Aan de linkerkant ziet u het huis van de bokkenrijder Leendert Heuts, waar zijn dochter werd geboren. Zij trouwde later met Pieter Penders junior. Rond 1794 kocht Pieter junior de woning van een dochter van Michiel Menten, waardoor hij in de ouderlijke woning van Pieter Penders senior ging wonen. Hierdoor ontstond de volgende opeenvolging in de Penders-familie: grootvader Pieter Penders, diens zoon Pieter Penders (bokkenrijder), en vervolgens kleinzoon Pieter Penders junior, die allemaal in dezelfde woning woonden. Pieter junior had ook een zoon genaamd Pieter Penders, maar over hem is weinig bekend; in elk geval heeft hij later niet meer in deze woning gewoond.

Het vierde kind van Lucia Hendrix was Paulus Penders, gedoopt op 30 juni 1757. Paulus diende in het leger. Dit bleek toen hun moeder, Lucia Hendrix, in 1785 overleed en Paulus zijn erfdeel in 1787 verkocht aan zijn broer Pieter Penders en diens vrouw Cornelia Heuts. Omdat Paulus in het leger diende, moest er een gevolmachtigde optreden, namelijk Stephanus Steinen uit Beek. Paulus diende in het garnizoen te Hasselt onder leiding van luitenant-generaal en graaf d’Envie.

Ik vond Paulus nummer 8 in het stamboek van het Staatse leger en zoals men ziet waren er meerdere Catsopenaere die met Paulus gediend hebben en of het toeval is maar de andere zijn ook Bokkenrijders kinderen er staan er nog meer in andere lijsten. Paulus was al 24 jaar maar die andere hebben wel een hele jonge leeftijd 16 jaar.

Paulus was al zes jaar en zeven maanden in dienst. En had 2 kinderen en was getrouwd. Hier staat ook de lengte in etc. En Paulus Penders heeft dus eerst ergens anders gediend.

Deze afbeelding vond ik van hun kledij en ze waren er al van 1771.

Ik heb gezocht naar een huwelijksinschrijving van Paulus maar die vond ik niet wel de doop inschrijving van een van zijn kinderen.

En zijn naam is dus ook Paulus en zijn vader ex Elsloo is dus getouwd met Marie Huijts (Heuts) ex Geulle en dat is een zus van de echtgenote van Peter zijn broer die was getrouwd met Cornelia Heuts die peetoom is en er staat nog een zus in van Heuts Catharina genaamd. Maar zoals we zien is zijn zoon Illegitiem maar hij is herkend door Paulus Penders. Diezelfde zoon trouwt op  44-jarige leeftijd in Saeffelen (Selfkant), Duitsland, met Maria Gertrud Palm, die op dat moment 52 jaar oud was

Wat betreft de woonplaats van Pieter Penders en Lucia Hendrix: zoals eerder vermeld, was het na het wegvallen van het hoofd van de familie voor hen een uitdaging om te verhuizen of hun woning te verbouwen. Het echte bewijs over hun woonplek kwam pas later naar voren tijdens de boedelscheiding van de buren. Anna Catharina Brorens, de echtgenote van Pieter Bovens (ook een bokkenrijder), was overleden, en er werd een landmeter ingeschakeld om hun eigendommen te verdelen.

Deze landmeter beschreef de belendingen van hun huis. Het huis van Brorens werd toen verdeeld in vier delen, maar niet alle delen waren in hun eigendom. Het voorste deel aan de straatzijde behoorde toe aan de familie Bovens en werd in tweeën gedeeld. Naast hen woonde Johannes Brorens, een zoon van een broer van Anna Catharina Brorens. Verder woonde tijdens de meting Stephan Smeets, ook wel Steven Smeets genoemd, die getrouwd was met Helena Menten. Helena woonde nog steeds in het huis van haar vader, Michiel Menten.

De bokkenrijders Pieter Bovens en Michiel Menten zal ik in een aparte sectie bespreken.

Het perceel met toewijzingsnummer lot A is toegedeeld aan een oud huis bestaande uit een keuken kleine kamer kalverstalling en een dertig kleine ellen aan bouwplaats en hij had het recht op een coolhof (moestuin) Mesthof hij had ook het ouderlijk recht dus lot A die was gepasseerd op 16 april1786 (Peter Bovens) door de landmeter Frissen is gelegen tot Catsop en naast hem woonde Hendrik Penders en er kunnen stukken grond hebben gelegen van Hendrik Kreugers van deze familie had Peter Penders grond gekocht (Bouwplaats). En Joannes Brorens (Familie) dat andere valt onder een ander lot.

Hoe gaat dit in zijn werk in het kort iedere erfgenaam is aanwezig is hij minderjarig dat komt een getuige op draven. De landmeter heeft van te voren alles verdeeld en op papier gezet. Nu ligt het er aan hoeveel erfgenamen er zijn en worden de loten in een hoed gedaan en iedere erfgenaam neemt een lot er uit . Diegene die het huis krijgen moet normaal gesproken de andere uitbetalen ligt er aan wat de andere krijgen.

Dit is een akte van de landmeter, opgemaakt op 1 november 1790, waarbij Thomas Jaspar uit Ulestraten betrokken was. Een ander bewijsstuk toont aan dat Martin Bovens een lening afsloot voor zijn woning, waarbij de buren ook genoemd werden.

Deze is van hetzelfde jaar toen hij de lening opnam een paar maanden later en hier beschrijft hij nog de Reingenoten (Buren) namelijk als erven van Peter Penders en dat zijn Hendrik en Peter Penders die op dat moment nog in een huis woonde want Leonard woonde in Elsloo en Paulus waar die is gaan wonen dat heb ik nog niet ontdekt.

Dus dit zal zeker in het verleden ook zo zijn geweest. Alleen zal Peter straks verhuizen naar een andere woning de woning van Steven Smeets en Helena Menten.

Hendrik Penders had op dat moment vijf kinderen, en Peter Penders had er vier. Hun moeder was al overleden, waardoor de zonen samen in één huis woonden. Pas in 1795 veranderde deze situatie.

De Franse telling kwam er in 1795 en toen waren de woningen al gesplitst en om een en ander duidelijk te maken heb ik deze telling op gezocht.

In 1795 vond de Franse volkstelling plaats. Tegen die tijd woonde ze niet meer samen. Om dit alles te verduidelijken, heb ik dit opgezocht.

Dit is de telling op den dries van de zonen van Peter Penders genaamd Peter en Hendrik. De echtgenote van Peter, Cornelia Heuts was al overleden op zeer jonge leeftijd maar hij woonde al in het geboortehuis van zijn vader en later van Michael Menten.

Dit betreft gelijktijdig Den Dries in Catsop, naast de woning van Hendrik Penders. Hier zal ik in een andere rubriek dieper op gaan, want het gaat om twee kinderen van Peter Bovens en Anna Catharina Brorens. Daarnaast zien we ook Gertrude Wanten waar de roddel van de ronde deed.

Waar is het in Catsop.

Het rechtergebouw was oorspronkelijk eigendom van Peter Penders, later van Hendrik Penders, en vervolgens van zijn zoon Laurens Penders. Naast dit gebouw stond het huis van de families Bovens en Brorens, met daarachter het huis van Peter Penders junior. In de Franse tijd bevonden zich op deze locatie in totaal vier woningen links. De poort en het witte huis, zoals we die vandaag de dag kennen, bestonden nog niet.

Ik heb dit alles eerder al uitgebreid beschreven, inclusief het verhaal over de kleinzoon van Peter Penders. Het volledige vervolg is te vinden in mijn blogpost. Via deze link kunt u er meer over lezen.

Ik wil iedereen bedanken die een bijdrage aan mijn verhaal heeft geleverd.

Gepubliceerd door

Onbekend's avatar

catsop van vreuger

Ik ben Guus Smeets geboren en op getogen in Catsop mijn motto is wie geen verleden heeft ,heeft geen toekomst

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.