Wat begon in een eenvoudig huis in Catsop, eindigde in een tragedie in Rotterdam. In oktober 1931 kwam Maria Lucia Cornelia Wouters om bij de brand in de Wilde Zeesteeg. Dit is haar verhaal.
📷 De plechtigheid aan de groeve De begrafenis van het gezin Coenen na de brand in Rotterdam, oktober 1931.
Op 2 oktober 1931 brak brand uit in de Wilde Zeesteeg in Rotterdam. Het vuur greep snel om zich heen. De oorzaak werd vermoedelijk gezocht in zelfontbranding van oliehoudende poetsdoeken — in die tijd een bekend gevaar. Door de nauwe bebouwing kon het vuur zich razendsnel verspreiden.
Bij deze brand kwam een jong gezin om het leven.
Geboren in Catsop
Maria Lucia Cornelia Wouters werd geboren op 30 oktober 1904 in Catsop, in het pand dat bekendstond als “bie Willemke”. Zij werd op 3 november 1904 gedoopt in Elsloo.
In 1904 zag het pand er anders uit dan op latere foto’s. De bekende “Amstel Bier”-gevel dateert van een latere periode. In de tijd van haar geboorte bevond zich rechts de slagerij en links het café van haar vader.
Haar vader was Maximiliaan (Max) Hubert Wouters, slager en caféhouder in Catsop. Hij was geboren in de Daalstraat en een broer van Drick Wouters, die daar bleef wonen.
Max Wouters trouwde in 1900 te Elsloo met Maria Louisa Reubsaet, de moeder van Maria Lucia. Zij overleed vóór 1920 en heeft de latere tragedie in Rotterdam niet meer meegemaakt. In 1920 hertrouwde Max Wouters, eveneens te Elsloo. Later vestigde hij zich in Beek.
Maria Lucia was een zus van Jan Wouters, in de volksmond bekend als “Jan van Maxke”, die later naam maakte als toneelspeler.
Huwelijk en vertrek naar Rotterdam
Op 9 februari 1928 trouwde Maria Lucia in Heerlerbaan (Heerlen) met Theodorus Hubertus Coenen.
Het jonge gezin vertrok naar Rotterdam in de hoop op werk en een beter bestaan. De economische omstandigheden waren moeilijk en het gezin leefde in bescheiden omstandigheden.
In januari 1931 werd nog een kind geboren.
De rouwstoet
Op 6 oktober 1931 werden de vijf slachtoffers ter aarde besteld. Rotterdam liep uit.
📷 De begrafenisstoet met vijf lijkwagens De slachtoffers van de brand in de Wilde Zeesteeg worden naar hun rustplaats gebracht. Langs de route staan mensen rijen dik opgesteld.
Duizenden Rotterdammers stonden langs de route. De kisten werden opgesteld bij het Coolsingelziekenhuis en overgebracht naar de Rosariakerk aan de Leeuwenstraat, waar de kerk volledig was gevuld.
📷 De stoet in de straat De lijkwagen trekt door een smalle straat. Bewoners staan langs beide zijden in stilte toe te kijken.
Een overlevend kind
Eén zoon overleefde de ramp omdat hij op dat moment bij familie in Limburg verbleef. Terwijl het gezin in Rotterdam werd begraven, bleef één leven gespaard.
Een blijvende herinnering
Wat begon in een pand in Catsop, waar rechts de slagerij en links het café gevestigd waren, eindigde in een tragedie ver van huis.
De brand in de Wilde Zeesteeg van 1931 verbindt Rotterdam en Catsop in een aangrijpend stuk familiegeschiedenis — een verhaal van hoop, vertrek en noodlot.
Bronnen
Krantenarchief 1931 – verslaggeving over de brand in de Wilde Zeesteeg en de begrafenis van het gezin Coenen Genealogische gegevens familie Wouters (Elsloo, Catsop en Beek) Limburgse krantenportretten over Jan “van Maxke” Wouters Familieoverlevering
De aankondiging van Circus Kinsbergen voor Catsop is geplaatst in de Limburgsche Koerier. Dat betekent dat het circus zelf actief reclame heeft gemaakt voor zijn komst.
Reizende circussen waren in die tijd volledig afhankelijk van krantenadvertenties om publiek te trekken. Mond-tot-mondreclame alleen was niet voldoende. Een advertentie in een regionale krant als de Limburgsche Koerier was daarom essentieel om bezoekers uit Catsop en omliggende dorpen te bereiken.
Dat Circus Kinsbergen juist deze krant gebruikte, laat zien dat:
het optreden vooraf was gepland,
men rekende op voldoende publiek,
en Catsop (Elsloo) werd gezien als een waardige standplaats voor meerdere voorstellingen.
De advertentie is daarmee niet alleen een aankondiging, maar ook een bewijsstuk: Circus Kinsbergen is daadwerkelijk op den Dries in Catsop geweest.
In juli 1918 deed Circus R. Kinsbergen Catsop aan. Niet ergens aan de rand, maar op den Dries – het hart van het dorp. Dat weten we zeker, want het circus kondigde zijn komst zelf aan in een advertentie waarin Catsop/Elsloo expliciet wordt genoemd.
Het circus gaf slechts drie voorstellingen:
Zondag 21 juli
Maandag 22 juli
Dinsdag 23 juli 1918
Juist die korte aanwezigheid maakt dit moment zo bijzonder: het circus kwam, speelde, en trok weer verder.
🎪 Wat kreeg Catsop te zien?
De advertentie vertelt ons precies wat er op den Dries te beleven was. Geen groot stadscircus, maar een klassiek reizend familiecircus, met acts die dichtbij en persoonlijk waren.
Op het programma stonden onder andere:
Paardendressuur, uitgevoerd door Mr. Leon (August)
Komische scènes met een gedresseerde hond
Mejuffrouw Florence, die optrad met gedresseerde duiven
Een act op telefoondraad, waarbij 18 duiven werden ingezet
Als afsluiting een komische pantomime met de titel “De ondeugende schoenmakersknecht”
Dat Florence in de advertentie met naam genoemd wordt, is veelzeggend. Zij was geen bijrol, maar een vaste artieste, gespecialiseerd in een duivenact die in die tijd als bijzonder en verfijnd gold.
👨👩👧👦 Circus Kinsbergen: een echt familiecircus
Affiche van Circus Kinsbergen. Het zogenaamde “twee-masten circus” trok van plaats tot plaats en gaf vaak slechts één of enkele voorstellingen per dorp.
Circus Kinsbergen was een zogenoemd twee-masten circus: klein, mobiel en volledig gedragen door de familie zelf. Mannen, vrouwen en kinderen hadden ieder hun eigen rol in de voorstelling.
De toegangsprijzen waren bewust laag gehouden:
1e rang: ƒ 1,-
2e rang: 60 cent
3e rang: 30 cent
Zo kon vrijwel iedereen uit Catsop en omgeving een voorstelling bijwonen.
🕊 Florence en de duiven
De duivenact van Florence verdient extra aandacht. Duiven waren gevoelige dieren en lastig te trainen, zeker voor optredens met publiek. Dat haar act apart wordt genoemd in de advertentie, laat zien dat dit een trekpleister was.
Het werken met meerdere duiven tegelijk – zelfs op draad – vroeg om discipline, timing en vertrouwen tussen mens en dier. Zulke acts hoorden bij de fijnere, meer elegante circuskunst van die tijd.
📜 De familie Kinsbergen in breder perspectief
De naam Kinsbergen is geen toeval. Het gaat om een joodse circusfamilie die al generaties lang in Nederland actief was. In het televisieprogramma Andere Tijden wordt de familie Kinsbergen genoemd in het kader van de familiegeschiedenis van Jeroen Krabbé.
Daaruit blijkt dat verschillende joodse families, waaronder Kinsbergen, in het circus hun bestaan opbouwden. Circus Kinsbergen maakte deel uit van die lange Nederlandse circustraditie, waarin vakmanschap van generatie op generatie werd doorgegeven.
Dat het circus op den Dries stond, is logisch. De dries was van oudsher:
een open dorpsruimte,
een plek voor samenkomst,
geschikt voor kermissen en tijdelijke evenementen.
In 1918, een zwaar jaar door oorlogsnasleep en ziekte, bood het circus een moment van afleiding en verwondering. Voor even was den Dries geen dagelijkse ontmoetingsplek, maar een circusterrein.
🧾 Slot
Dankzij één advertentie weten we:
dat Circus Kinsbergen in Catsop was,
wanneer,
waar,
wie er optraden,
en wat het publiek te zien kreeg.
Dat maakt dit geen verzonnen verhaal, maar een vastgelegd moment uit de geschiedenis van Catsop.
Jan Steen (1625/1626–1679), De dorpsschool (ca. 1670), olieverf op doek, 81,7 x 108,6 cm, Scottish National Gallery, Edinburgh, Schotland. Wikimedia Commons.
SCHOOL EN GEMEENSCHAP IN ELSLOO
Onderwijs onder kerkelijk en bestuurlijk gezag (1728–1769)
Deze presentatie is gebaseerd op achttiende-eeuwse archiefstukken uit Elsloo. De originele documenten worden hier niet getoond, maar vormen wel de basis van het verhaal. Bij bijzondere interesse kunnen de stukken op verzoek worden ingezien. Zij geven een zeldzaam inkijkje in het dagelijks leven van Elsloo en laten zien hoe onderwijs, kerk en bestuur nauw met elkaar verweven waren en hoe groot het belang werd geacht van opvoeding en zedelijkheid binnen de gemeenschap.
1728 – Onderwijs als zaak van gezag en gemeenschap
In 1728 richtten gezaghebbende inwoners van Elsloo zich met een officieel verzoekschrift tot Zijne Hoog-Graaflijke Excellentie, de graaf van Arberg, die zowel de titel graaf van Peer droeg als heer van de baronie Elsloo. Alleen hij bezat de bevoegdheid om toestemming te geven voor het verzorgen van onderwijs binnen zijn baronie.
De voorgedragen persoon was Jan Deurliner, beneficiant van de kerk van Elsloo. In het verzoekschrift wordt benadrukt dat het onderwijs moest bijdragen aan de welvaart van de gemeente. Dit begrip betekende in die tijd niet alleen materiële voorspoed, maar vooral maatschappelijke orde, christelijke opvoeding en goed zedelijk gedrag.
Het onderwijs mocht uitsluitend plaatsvinden met uitdrukkelijke toestemming en onder bescherming van de graaf. Daarmee werd duidelijk gemaakt dat onderwijs geen privé-initiatief was, maar een publieke zaak die onder toezicht stond van het hoogste gezag.
Het verzoek werd ondersteund en ondertekend door verschillende inwoners en functionarissen van Elsloo:
Joannes Bours, constabel
Mathijs Gijsen
Dierick Janssen
Jan Boyen
Dirck Lemmens
de weduwe Partons
één kon niet schrijven Vlecken dus een x
Deze namen tonen dat het verzoek breed werd gedragen binnen de gemeenschap.
1769 – Voortzetting van het onderwijs
Ruim veertig jaar later, op 3 november 1769, werd opnieuw een document opgesteld over het onderwijs in Elsloo. In dit stuk staat Josephus Caris, aangeduid als Eerwaarde Heer, centraal. Hij was een geestelijke die zich had toegelegd op het onderwijzen van de jeugd.
In het document wordt Caris geprezen om zijn ijver, trouwe dienst en voorbeeldig gedrag. Hij gaf onderwijs in christelijke leer en goede zeden en deed dit zonder “kwaad exempel”, geheel volgens de geldende ordonnanties. Het stuk vraagt niet om een nieuwe aanstelling, maar om continuering van zijn werkzaamheden, opnieuw met het oog op het welzijn en de orde binnen de gemeenschap.
Het document is ondertekend door:
Josephus Caris, als betrokken geestelijke en onderwijzer
Martinus Martens, die het verzoek namens het lokale bestuur bekrachtigt
Aanvullende observatie
Latere notariële akten laten zien dat geletterdheid in deze periode sterk uiteenliep. Ook onder personen die later als bokkenrijders bekend zouden worden, waren er mensen die konden lezen en schrijven. Zo ondertekende Pieter Penders, bijgenaamd de Lange Snieder, zijn akten eigenhandig. Zijn zwager Michal Menten (Bokkenrijder) daarentegen kon niet schrijven; bij zijn naam werd een kruis geplaatst, met de expliciete vermelding dat hij niet kon lezen en schrijven. Dit onderstreept dat geletterdheid geen vaste sociale grens volgde, maar per persoon sterk verschilde.
In deze akte tekent Machiel Menten met een kruisje, waarbij expliciet wordt vermeld dat hij niet kan schrijven. Zijn zwager Pieter Penders ondertekent zelf. De verklaring wordt bevestigd door getuige Mathijs Haermens en afgesloten met de handtekening van de notaris. Dit toont aan dat geletterdheid per persoon verschilde en zorgvuldig werd vastgelegd.
Ik heb via Jan Claessen, een van de landbouwers uit Catsop, een lijst gekregen met namen van boeren die destijds actief waren binnen de Boerenbond van Catsop en Elsloo. Bij de namen heb ik, voor zover bekend, de woonplaatsen van toen gezet en aangegeven wie bij elkaar hoorde of samen een bedrijf runde.
Deze foto is gemaakt ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan. Belangrijk om te vermelden is dat niet alle boeren uit die tijd op deze lijst of foto voorkomen. Er waren er zeker meer. Daarom mijn vraag: wie herkent nog namen of mist er iemand?
Overzicht van de boeren (zoals bekend):
Jac Hendrix – Dorpsstraat (Elsloo)
Theodoor Engelen – Daalstraat (Catsop), woonde destijds in de Daalstraat (nu nr. 34). Had een smederij, meerdere paarden en een landbouwbedrijf; vroeger zat hier ook een café.
Sjeng Lemmens – Op den Dries (Catsop). Landbouwer; zoon Frans nam het bedrijf over, zoon Jo ging melk venten. Woonde wat nu Op den Dries 37 is.
Max Beckers – Julianastraat (Elsloo), Max van Chrisjke.
Sjeng Claessen – Daalstraat (Catsop). Landbouwer en wethouder; woonde destijds waar nu Daalstraat 10 is, verhuisde later.
Sjef Peerboom – Daalstraat (Catsop). Landbouwer; runde samen met zijn broer Huub een boerderij (nu nr. 16).
Sjeng Pijpers – Op den Dries (Catsop). Had een tuinbedrijf, nu Op den Dries 65, later bekend als “De Lelie”.
Harrie Penders – Daalstraat (Catsop). Landbouwer; runde samen met Sjeng Penders (nr. 19) een boerderij (nu nr. 30). Harrie was getrouwd, Sjeng was vrijgezel.
Frens Odekerken – Raadhuisstraat (Elsloo).
Gus Cobben – Daalstraat (Catsop). Runte samen met zijn broer Sjeng een boerderij (nu nr. 29). Hun vader Sjaak Cobben (nr. 18) woonde daar ook en was al lid van de oude Boerenbond.
Math Lensen – Maasberg (Elsloo).
Pie Dols – Daalstraat (Catsop). Runte een boerderij (nu nr. 16). Broers Huub en Frens namen later de boerderij over van Voncken.
Jan Dols – Daalstraat (Catsop). Broer van Pie; verhuisde later naar de Winteraeken.
Theo Pijpers – Stationsstraat (Elsloo).
Frens Maas – Daalstraat (Catsop). Runte een boerderij (nu nr. 23); broer van Sjeng Maas (nr. 28).
? Hanen – Dorpsstraat (Elsloo).
Sjeng Cobben – Op den Dries (Catsop). Runte samen met zijn zoon Frits een boerderij; broer van Sjaak Cobben (nr. 18).
Sjaak Cobben – Daalstraat (Catsop). Vader van Gus (nr. 10) en broer van Sjeng (nr. 17).
Sjeng Penders – Daalstraat (Catsop). Runte samen met Harrie Penders (nr. 8) de boerderij (nu nr. 30).
Jac Peters – Stationsstraat (Elsloo).
Math Hensen – Raadhuisstraat (Elsloo).
Sjeng Vranken – Op den Dries (Catsop). Runte een boerderij (nu nr. 47), verkocht ook diervoeders en haalde melk op.
Willem Voncken – Raadhuisstraat (Catsop).
Sjaak Janssen – Raadhuisstraat (Catsop).
Sjef Vranken – Op den Dries (Catsop), zaakvoerder; vader van Sjeng Vranken (nr. 22).
Pastoor Bertin.
Pie Lensen – Kaakstraat (Elsloo), voorzitter.
Sjeng Maas – Op den Dries (Catsop). Had de boerderij waar nu de ijsboerderij is; broer van Frens Maas (nr. 15).
Pie Knoben – Daalstraat (Catsop). Had een boerderij (nu nr. 44), werkte ook bij de waterstaat en was zwager van Sjaak Cobben.
Vic Hoven – Raadhuisstraat; vertrok later naar Nuth.
👉 Herken je nog namen, weet je aanvullingen of ontbreekt er iemand? Laat het vooral weten, zodat dit stukje geschiedenis zo compleet mogelijk blijft.
Ze hingen in drie reysen Executies en rechtspraak in Zuid-Limburg, 18e eeuw – Elsloo
Dit schilderij verbeeldt een werkelijke en uiterst gewelddadige gebeurtenis. De titel Ze hingen in drie reysen, bekend uit het boek van Mart Pfeifer en Eddy Erkens, verwijst naar de wijze van terechtstelling: drie reeksen van zeven mannen, samen eenentwintig, publiekelijk opgehangen.
In de winter van 1773–1774 vonden in Elsloo openbare executies plaats die diep ingrepen in het dagelijks leven. In totaal werden 34 personen berecht wegens vermeende misdrijven, waaronder een reeks overvallen die in de processen onder meer werden verbonden aan de overval op Walraven in de nacht van 22 op 23 augustus 1756. De veroordelingen volgden pas zeventien jaar later.
De terechtstellingen werden bewust gespreid. Telkens werden zeven mannen tegelijk opgehangen, terwijl de eerder geëxecuteerden bleven hangen. De eerste ophanging vond plaats op 2 a novembris 1773, de tweede op C a Xbris 1773 (10 december) en de derde op 9 a februarie 1774. Zo groeide het aantal lichamen uit tot het confronterende beeld van drie reysen. De executieplaats lag langs de Maas en was goed zichtbaar voor passerende Maasboten, reizigers over de weg naar Geulle en voor wie met het veer de rivier overstak.
Van de 34 berechten werden 21 mannen daadwerkelijk opgehangen. Dertien anderen ontkwamen aanvankelijk, maar ook zij bleven niet buiten schot. Eén verdachte werd later doodgeschoten, een ander pleegde zelfmoord in Maastricht, het centrum van de zware strafrechtspraak. Daarnaast werden negen personen bij verstek veroordeeld en publiekelijk aan de kaak afgeroepen, met het bevel zich nooit meer in de heerlijkheid Elsloo te vertonen. Zo werden 21 mensen fysiek geëxecuteerd, terwijl in totaal 32 personen publiekelijk als veroordeelden zichtbaar werden gemaakt — aan de galg, door afkondiging of door voorbeeldstelling.
“21 personen werden publiekelijk geëxecuteerd. Negen anderen werden bij verstek veroordeeld en aan de kaak afgeroepen. Twee verdachten kwamen om buiten de openbare executies.”
Veel veroordeelden waren dagloners en wevers, met een inkomen van slechts 6 tot 10 stuivers per dag. Bekentenissen kwamen vaak tot stand onder tortuur, juridische bijstand ontbrak en onafhankelijke bewijzen zijn schaars. De benaming “bokkenrijders” is een latere constructie, bedoeld om de veroordeelden een duivels en mythisch karakter toe te schrijven en zo het geweld van de straffen te legitimeren. Moderne historici zien deze processen als een vorm van paniekjustitie, vergelijkbaar met late heksenvervolgingen.
Slotzin Dat er in deze periode misdrijven plaatsvonden, staat vast; maar wie hier werkelijk schuldig was en wie vooral diende als afschrikwekkend voorbeeld, laat zich vandaag niet meer met zekerheid vaststellen.
Velen hebben haar naam wel eens horen vallen, vaak tussen twee herinneringen door, aan de toog of bij het vertellen van oude verhalen. Antje van de Engel. Een naam die bleef hangen, maar zonder gezicht. Tot nu. Die tijd is voorbij.
Antje runde een café bij het station van Beek, een plek waar reizigers binnenliepen voor een borrel, waar verhalen werden uitgewisseld en waar iedereen haar kende. In de wijde omtrek stond ze bekend: recht door zee, met een scherp oog en een groot hart. Maar vóór Beek, vóór het café en het stationsleven, was er Catsop.
Wie was Antje werkelijk? Waar kwam ze vandaan? En wie waren de mensen achter haar, haar familie, haar roots in Catsop? Om Antje te begrijpen, moeten we terug naar het begin – naar het dorp waar haar verhaal begon.
Anna Maria “Antje” Engelen
Haar roepnaam was Antje, en zo kende iedereen haar ook. Ze werd geboren op 4 december 1898 in Catsop, in een tijd waarin het dorp nog klein was en iedereen elkaar kende. Nog geen maand later, op 28 december, werd ze gedoopt in Elsloo. Dat was toen heel gewoon: voor zo’n belangrijk moment liep of reed men naar de parochie waar men hoorde, ook al lag die buiten het eigen dorp.
Antje groeide op in Catsop, geworteld in een familie die daar al generaties lang thuishoorde. Ze was een dochter van Willem Engelen en Anna Maria Cornelia Wijnen. Via haar moeder droeg Antje het bloed van de familie Wijnen, een naam die onlosmakelijk met Catsop verbonden is. Haar moeder, vaak simpelweg Marie Wijnen genoemd, was in Catsop geboren en heeft er haar hele leven gewoond. Zelfs het huis in de Daalstraat waar Antje opgroeide, was al een plek met geschiedenis.
Haar vader, Willem Engelen, was van oorsprong in België geboren. Voor zijn huwelijk kwam hij naar Catsop, waar hij zich vestigde en een gezin stichtte. Samen met Marie runde hij een café in de Daalstraat. Het was een plek waar dorpsgenoten samenkwamen, waar nieuws werd gedeeld en waar het leven zich dagelijks afspeelde.
Voor Antje was dat café haar eerste leerschool. Ze kreeg het vak letterlijk met de paplepel ingegeven: luisteren, onthouden, mensen lezen, weten wanneer je sprak en wanneer je zweeg. Het was daar, tussen de tafels en de toog, dat de basis werd gelegd voor wat later haar eigen levenspad zou worden.
Antje zou uiteindelijk haar leven buiten Catsop voortzetten, maar haar wortels bleven stevig in de Catsopse grond verankerd. Ze overleed op 6 januari 1977 in Sittard, 78 jaar oud. Wat bleef, was haar naam, haar verhaal en de herinnering aan een vrouw die haar tijd vooruit was – gevormd door Catsop, groot geworden in het café, en bekend tot ver buiten het dorp.
Willem Engelen 1865 (Uikhoven) en Marie Wijnen 1869 (Catsop) 1895 getrouwd.
Samen bouwden zij hun leven op in Catsop, in de Daalstraat, waar zij een café runden. Het was geen gemakkelijk bestaan. Het gezin was groot – zeker acht kinderen werden er geboren – maar het leven was kwetsbaar. De kindersterfte was in die tijd een harde realiteit. Hun eerste kinderen waren een tweeling, en die verloren zij al bij de geboorte. Ook daarna bleef het gezin niet gespaard van verdriet.
Van al die kinderen zijn er uiteindelijk slechts twee met zekerheid volwassen geworden: Antje en Door. Twee dochters die het leven wel vasthielden, en die opgroeiden in een huis waar vreugde en verlies dicht bij elkaar lagen. Juist dat maakte hen sterk.
Voor Antje betekende het opgroeien in zo’n gezin, en in een café waar het dorpsleven samenkwam, dat ze al jong leerde omgaan met mensen, verhalen en emoties. Ze kende het leven in al zijn kanten: de gezelligheid aan de toog, maar ook de stilte na een verlies. Dat vormde haar karakter en legde de basis voor de vrouw die zij later zou worden.
Zo is Antje niet alleen het verhaal van een caféhoudster uit Beek, maar ook het verhaal van een gezin uit Catsop, van doorzetten, rouwen en doorgaan. Een verhaal dat begint in de Daalstraat, bij Willem en Marie, en dat via Antje verder de wereld in ging.
Door Engelen
Antje en haar familie waren niet alleen bekend in Catsop vanwege hun café in de Daalstraat, maar ze runden er ook een boerderij. Het was een leven vol arbeid en verantwoordelijkheid: overdag het land bewerken, de dieren verzorgen en oogsten binnenhalen, ’s avonds het café bemannen en zorgen dat de gasten niets tekortkwamen.
Voor Antje betekende dit dat ze van jongs af aan leerde multitasken en omgaan met mensen en dieren tegelijk. De combinatie van café en boerderij gaf haar een stevige basis: ze kende de dorpsgenoten van alle kanten, zowel aan de toog als op het veld. Het was hier, tussen de tafels en de stallen, dat Antje haar karakter smeedde — recht door zee, gastvrij en praktisch ingesteld.
Antje had een broer, Door Engelen, geboren in 1897, een van de weinige kinderen van Willem Engelen en Marie Wijnen die volwassen werd. Hij overleed op een normale leeftijd in 1965, en was stil aanwezig in het familieverhaal. Samen met Antje deelden zij de herinneringen aan het café en de boerderij in Catsop, en de wortels die hen voor altijd verbonden hielden met hun geboortedorp.
Toen Antje later met Jan Hubert Martens naar Beek verhuisde en daar het café aan de Stationsstraat overnam, nam ze die ervaring mee. Zoals Paul Mennens uit Beek schrijft:
“In 1910 lag aan de Stationsstraat een hotel met de naam ‘Hôtel de la Station’. Er was een weegbrug voor het wegen van o.a. fruit en kolen, want het echtpaar Peters-Renkens had ook een brandstofhandel. Het maakte reclame met ‘steenkool uit Kohlscheid’. Het prachtige terras met overkapping was voor treinreizigers en passanten een geliefd plekje om even een drankje te nuttigen. In 1931 werden tijdens een publieke veiling het café, het kolenmagazijn en de stallen verkocht, de prijs bedroeg fl. 12.100,00. Het echtpaar Martens-Engelen nam niet alleen het café over, maar ook de naam en de kolenhandel. Het café stond in Beek bekend als ‘Bie Antje van de Èngel’. Het gebouw werd in 1974 afgebroken en enkele jaren later volgde de bouw van garage Crutzen.”
Antje stond er zelf achter de toog, herkenbaar, vertrouwd, en altijd aanwezig. Haar achtergrond uit Catsop, het café en de boerderij van haar ouders, en het omgaan met mensen van allerlei slag – het kwam hier allemaal samen. Zo werd Bie Antje van de Èngel een begrip in Beek, een plek waar haar naam en persoonlijkheid voortleefden, lang nadat het pand zelf verdwenen was.
Cafe Antje van de Engel bron Paul Mennens
De eerste eigenaren voor Antje M.Peters. Bron Paul Mennens
Cafe Antje van de Engel bron Paul Mennens
Hier zijn nog meerdere fotos van van de spoorweg overgang want deze lag hier ook .
Links ziet u de cafe destijds van Peters.
Even verderop, nog geen steenworp van Antje’s café, lag dat van Trina van de Vonck, ook een Catsopse. Mijn oom vertelde me er een prachtig, bijna filmisch verhaal over. Stel je voor: de gasten zaten bij Antje, namen een biertje of iets anders, en vroegen haar soms om vijf cent om even te lenen. Met dat muntje in de hand wandelden ze dan naar Trina, gaven het geld terug, en kregen daar opnieuw iets te drinken.
En zo gingen ze heen en weer, van het ene café naar het andere, terwijl Antje en Trina lachend toekeken. Het was geen kwaad, alleen een speels ritueel van dorpsleven en dorpszin. De cafés waren meer dan plekken om te drinken; ze waren hart en kloppend centrum van het dorp, waar verhalen ontstonden, vriendschappen werden gesloten, en waar een simpele vijf cent al tot een klein avontuur kon leiden.
Het is misschien maar een anekdote, maar het vertelt zoveel over die tijd: over het leven, de humor en de verbondenheid in Catsop en omgeving.
Sef was Coiffeur of Kapper en dat deed hij thuis in de daalstraat voor in het huis en dat stond op een kaart wat hij had gekregen.
Op deze kaart staat: “Jozef (Sef) Tilmans, coiffeur, Daalstraat, Catsop.” In die tijd, in de jaren dertig begin jaren veertig woonde er maar één familie Tilmans in de Daalstraat in Catsop
Dit is de voorkant van de kaart dus een verjaardagskaart van Marie dat kan Marieke Reubsaet zijn .
Sef scheert en knipt, en zoals te zien is, gebeurde dit in het voorste deel van het huis van de familie Tilmans, het oude deel. We zien ook het raam en de scheer- en knipbenodigdheden.
In dezelfde ruimte staat ook zijn piano en daar straks meer over.
Deze foto is genomen aan de voorkant van het huis, dat al van steen was. Dit was het oude gedeelte van Huize Tilmans, waar een stenen muur is gemetseld om het oorspronkelijke lemen gedeelte te vervangen. En de wachtrij is groot dus zijn klandizie was goed.
De tweede foto, genomen in de jaren dertig of begin jaren veertig, toont een aantal mensen die ik eigenlijk niet ken, namens de zoon van Pieke Tilmans, genaamd Nick. Hij herkende zijn vader op de foto, links naast het huisnummer. Er zijn bekende gezichten maar ik kan er tot heden er geen naam op te plakken.
17-03-1934 hier zien we dat Sef en zijn broer H. Tilmans mee doen aan solisten concours en sef won met zijn saxofoon een instrument dat hij heel lang zal bespelen.
13-12-1934 Hier zien we dat H Tilmans Huub moet zijn Sef haalt bij de Superieure de eerste prijs wederom met zijn saxofoon
29-05-1935 behaalde Sef Tilmans een diploma en een hoge onderscheiding in Luik. Dus die piano waar hij mee oefende stond bij hem in kapperszaak. En kon hij een muzikale intermezzo geven onder de scheer en knip beurten.
19-07-1938 behaalde hij weer een diploma.
De saxofoon word serieus genomen dankzij Sef Tilmans hier zijn we zijn mede spelers
Dus in 1966 een kwartet de gebroeders Tilmans met nog twee andere crème de la crème van de blaascultuur.
Dans en show orkest Moonen Nuth onder leiding van Sef Tilmans
Sef heeft door zijn muzikaliteit meerdere keren de krant gehaald. Wat hierboven beschreven is, is slechts een klein deel van zijn succesvolle carrière. Zo heeft hij ook meegewerkt aan een carnavalsnummer in Elsloo. Een bijzonder moment in zijn leven was toen hij werd geëerd voor zijn 50-jarige lidmaatschap bij de Maasgalm. Daarnaast heeft Sef regelmatig zijn instrument laten klinken bij de ROZ, tegenwoordig bekend als L1. In het dagelijks leven was Sef werkzaam als tekenaar bij de SBB.
Met deze woorden willen we blijven bij de bijzondere historische reis van Sef. Zijn bijdrage aan de muziek en zijn betrokkenheid bij de gemeenschap.
Dit huis werd eigendom van Johannes Servaas Hendrix, beter bekend als “ut een hendje”. Hij kreeg deze bijnaam omdat hij een hand had verloren tijdens het dorsen, iets wat ook zichtbaar is aan zijn wandelstok links. Johannes kocht het huis in 1922. Of hij er direct na de aankoop ging wonen, is niet zeker, want hij woonde in het Terhagen 11. Tenminste in een gedeelte van deze woning.
Het kopen van een huis bood in die tijd verschillende mogelijkheden: het kon dienen als bouwplaats, om er zelf in te wonen, of om te verhuren. Johannes was op dat moment weduwnaar. Zijn laatste echtgenote, Helena Vranken, werd geboren in 1865 in Willich (Duitsland). Haar familie stond bekend als “brikkenbekkers”. Helena overleed op 18 maart 1912. De kinderen van Johannes en Helena werden allemaal geboren in het Terhagen, maar velen van hen kwamen later naar Catsop.
Lemmens-Hendrix (op het einde)
Bartels-Hendrix (op den Dries)
Houben-Hendrix (eveneens “Op den Dries”)
Hendrix-Houben (ook “Op den Dries”)
In de deuropening staat Net Vranken. Zij ontmoette later Martin Daemen en moest “oom” zeggen tegen Johannes Hendrix (ut ein hendje), omdat Net’s vader een broer was van Helena Vranken, de echtgenote van Johannes Servaas Hendrix
Waarom Net Vranken in Catsop was? Dat kwam door de watersnoodramp in 1926 in Oud-Elsloo en woonde aan de maas.. Ze kreeg een onderdak in dit huis. Daarom weten we zeker dat dit hetzelfde huis is. Dit wordt ook verteld in de overleving door verschillende dochters en een zoon.
Op de foto staat ook Trees Lemmens met breiwerk. Zij was getrouwd met Jan Hubert Daemen, overleden in 1910. En woonden niet in dit huis, maar schuin aan de overkant, in haar ouderlijk huis, dat niet aan de weg kant lag. Ze was een dochter van Mathijs Lemmens en Maria Hendrix, en waarschijnlijk heeft ze haar ouders verzorgd en is in het huis blijven wonen.
Dit huis op de foto stond nog in 1926. Maar Trees kocht later wel een bouwplaats achter dit huis. En later zal er een kind van haar daar gaan wonen. En het perceel op de foto zal een zoon van Johannes Servaas Hendrix gaan wonen en krijgen het huidig adres.
Op den Dries 43a (Huiveneers)
Op den Dries 43 (Hendrix)
daarvoor was het C30
We gaan op onderzoek uit waar stond dit huis
Ik moet er gelijk bij zeggen dat het kadaster een scheidingslijn trekt op Den Dries, waar een gedeelte onder sector C valt (links) en, wanneer men de weg oversteekt, in sector B (rechts) terechtkomt afkomend van de dreesjpool. Deze woning lag op Den Dries en maakte geen deel uit van de oudste kern van Catsop, hoewel dan men dat denkt door de foto.
Ik ben begonnen met zoeken in het historische kadaster, vanaf de tijd dat er niets stond, toen het een boomgaard was. U moet zich realiseren dat het kadaster alleen informatie over een perceel en de eigenaren daarvan verspreidt. Dit betekent dat iemand een perceel kan opleveren volgens het kadaster, maar daar niet noodzakelijkerwijs hoeft te wonen.
Wanneer er veranderingen op een perceel plaatsvinden, bijvoorbeeld door bebouwing of andere wijziging, komt het kadaster opnieuw meten en maakt men een aantekening. Je kunt op zo’n perceel een huis of schuur bouwen, maar dat moet je wel met de gemeente regelen. Als de woning zelf verandert, bijvoorbeeld door sloep of verbouwing, maakt dit voor het kadaster verder weinig uit, maar
Soms heb je geluk en staat er op de kadastrale legger een vermelding van bijvoorbeeld “sloping” (sloop) of een adres, en dat laatste heb ik al verteld. Wil je iets weten over de bewoners, dan heb je het bevolkingsregister of een persoonskaart van dat adres nodig. Maar uit de overlevering weten we op bepaalde momenten wie er in dit huis gewoond heeft.
En we zien het huis links voor ons, wat moeilijk voor te stellen is, maar volgens het kadaster is dit inderdaad het huis, en links valt onder sector C. Als we nu kijken, is er niets meer te zien, en daar wil ik mee beginnen.
Vroeger stond er iets, lag hier een boomgaard, met perceel C 622. Dit was eerst in bezit van Fredrix en later van Paulus Penders van de Daalstraat. Rond 1875 is het huis al klaar van Peter Driessen, gehuwd met Joanna Maria Penders uit Elsloo, een zus van Paulus Penders. Alle kleinkinderen van de bokkenrijder Petrus Penders. Zijn zoon Leonard Penders getrouwd met Anna Beckers en dit zijn hun kinderen. Peter Driessen en Maria Penders hadden verschillende huizen, maar ze wilden graag een nieuw huis bouwen in Catsop. Driessen kocht dit perceel al in 1861.
Wanneer begon men aan het huis dat gaan we bekijken.
Op de Kadasterkaart van 1880 staat perceel C1844 centraal. Dit pand ligt langs de route vanaf de Dreesjpool en behoort niet tot het oude gedeelte van Catsop. Het laatste huis in het oude gedeelte, perceel C2047, was vroeger de winkel van Lemmens.
Naast C1844 begon Theodoor Lenaerts met de bouw van een woning, die ook vandaag de dag nog bestaat.
Op de Kadasterhulpkaart uit 1875 te zien is dat het huis al klaar is en er is al bij gebouwd aan het huis van Driessen-Penders, perceel C1844. Het huis is op oude foto’s te zien, gebouwd van leem en stro. Maar wie is deze familie? De familie Driessen had inderdaad nazaten in Catsop, onder wie Sjef van Louwieke Driessen en later Frits Driessen (wonende op Dreesjpool)
En dit is de situatie van 2023 rechts het huis was van Theodoor Lenaerts – Hubertina Driessen een dochter van Peter Driessen en Johanna Maria Penders de buren . Maar Peter Driessen overleed al in 1866 dus hij heeft de bouw misschien niet mee gemaakt en zijn echtgenote Maria Penders stierf in 1878 dus die heeft er ook niet lang van kunnen genieten als ze er gewoond heeft maar het huis stond op haar naam. Maar het huis is er na gesplitst en dat bleef ook zo decennia lang door een erfdeling (1912) een gedeelte kreeg een Theodoor Driessen uit Kotem en een gedeelte kreeg peter Hubert Driessen uit het Terhagen. Dus die woonde waarschijnlijk hier niet.
In 1912 krijgen we de volgende situatie: C2237, de woning van Theodoor Driessen (Kotem), en C2238, de woning van Peter Hubert Driessen en u ziet ook al een gedeelte van de buren Lenaerts.
Dus, zoals jij begrijpt, maak ik een sprong in de tijd. Als er verder niets verandert, doet het kadaster ook niets. Maar nu is er wel iets veranderd: het perceel C1844 is verdeeld in twee nieuwe percelen. Later zal dit percelen eigendom worden van de familie Daemen en de familie Hendrix. En dat gaan we nu verder onderzoeken
Op de Hulpkaart van 1923 is te zien dat Johannes Servaas Hendrix in 1922 dit huis kocht. Zoals u kunt zien, is een gedeelte gesloopt, en dat is het deel dat door Daemen werd gekocht. Dit komt overeen met de oude foto van het huis. Het perceel is veranderd in C 2302 er is een nieuwe grens getrokken dat ziet u aan de rode lijn. Dus hij Hendrix had de rest toen nog niet in zijn bezit. C2301 en C2238 staan ook niet op zijn legger in deze tijd.
Deze foto is dus gemaakt na 1923, en Johannes Hendrix zelf is in 1945 overleden, maar niet in dit huis. Volgens de overlevering is hij op het einde van zijn leven bij zijn dochter Lemmens-Hendrix gaan wonen. Dit staat ook op de kadasterlegger van “Het Einde 2”. Dus of hij de woning herbouwd heeft heb ik geen bewijs van.
In 1947 komt Michiel Hendrix (Geel), gehuwd met Marie Houben, in deze woning wonen. Het is dus mogelijk dat de woning nog verhuurd is geweest, of dat “Ut Ein Hendje” (Johannes Hendrix) er zelf nog in heeft gewoond
In 1920 kocht Margreet Daemen (Greetje), weduwe van Hubert Daemen, de bouwplaats achter het huis dat op de foto te zien is.
Hier zien wij Greet Lemmens. We denken dat ze hier niet gewoond heeft, maar in 1920 kochten ze wel de bouwplaats achter dit huis. Later zal haar dochter Elisabeth Daemen, gehuwd met Willem Huiveneers, hier een huis bouwen
Dus de percelen zijn hetzelfde gebleven, maar een woning is veranderlijk van de buitenkant . Het kadaster toont deze veranderingen niet, maar vanaf 1926 is het huis gesloopt en meerdere keren verbouwd en nu helemaal gesloopt.
Voor de duidelijkheid ik heb een kadasterkaart van 1920 ongeveer en dit is dan aan de overkant van de oude foto’s en B1882 is de woning van Greetje Lemmens.
Ik heb verschillende foto’s gemaakt toen ze het huis sloopten, en toen was goed te zien dat het oorspronkelijk uit twee huizen bestond.
Gewelfde kelder boog deze zat in het eerste gedeelte dus van de woning Michiel (Geel) Hendrix en zijn vader Johannes Hendrix deze maakten ze al in het verleden voor de stevigheid en kelders waren zeer belangrijk dus die maakten ze meestal van mergel en later van steen al kwam er een lemen gebouw op. Dus het kan zijn dat deze kelder nog is behouden en er een nieuwe woning is op gebouwd.
En de voorgevel is in bepaalde tijd vernieuwd en dit is het eerste gedeelte van de woning dus van Hendrix.
Ik denk rond de jaren vijftig deze foto en hier stond de eerste gevel nog na de verbouwing en woonde Michiel Hendrix in dit huis.
Deze foto is rond 1930 genomen. Men is bezig met de aanleg van de elektriciteitskabel, en links in de verte zien wij, volgens mij, het huis van de buren van Johannes Servaas Hendrix. Het huis van hemzelf lijkt gesloopt te zijn.
U ziet duidelijk de scheidingslijn tussen de gebouwen: links het huis van Geel Hendrix en rechts dat van Willem Huiveneers. Wanneer de herbouw precies is begonnen, is het nog niet helemaal duidelijk, maar het was ook geen grote woning. Het was alleen het voorste deel van het huis van Hendrix. Ze bouwden op het perceel, en maakt daarom het kadaster geen aantekening van een verandering.
Later word het eigendom van Wenmakers dat zal rond 1987 zijn geweest het voorste gedeelte en ander gedeelte woonde Jozef Vrancken en verder ben ik met mijn onderzoek niet gegaan.